God verdoeme mij

Nu de avonden langer worden en de kerstviering eraan komt, is het zaak eens wat langer stil te staan bij een van de meest gebruikte woorden in het Nederlands, namelijk godverdomme. In verschillende opzichten is godverdomme een uniek woord. In de eerste plaats is er geen ander woord dat in zoveel uiteenlopende gedaanten voorkomt.

Halverwege dit jaar publiceerde de Leidse hoogleraar P.G.J. van Sterkenburg een studie over vloeken waarin de belangrijkste verbasteringen, plaatsvervangers, verzachtende en versterkende vormen van godverdomme zijn opgenomen. Het zijn er honderden, van het ultrakorte g (te vergelijken met k voor kanker) tot woorden als getsie, gadverballie, gat voor gimme, potvolblomme, potverdriedubbeltjes, snotjandosie en ga zo maar door.

Wat godverdomme ook bijzonder maakt, is dat wij er nogal dubbel over zijn. Enerzijds ligt het menigeen in de mond bestorven, maar worden we gevraagd naar de taboewaarde van vloeken - zoals Van Sterkenburg deed - dan scoort godverdomme het hoogst. Op de voet gevolgd door kut en godver. In de toptien van vloeken met de hoogste taboewaarde komt godverdomme maar liefst zes keer voor, want ook nog in de vormen godverdorrie, gvd, goddomme en verdomme.

Er is nog iets anders dat godverdomme tot een bijzonder woord maakt: het wordt gebruikt als vloek, als krachtterm of tussenwerpsel om afschuw, afkeer, boosheid en dergelijke mee uit te drukken, maar eigenlijk is het een zelfverwensing. Oorspronkelijk zei men immers: ”God verdoem mij.” Deze woorden maakten deel uit van een eedformule, namelijk: ”God verdoeme me, als ik lieg.” Vergelijkbare formuleringen waren: ”God verwurg me!”, ”Bloed van Christus verderf me!” en het weinig subtiele ”God vermoord me!”

Opmerkelijk genoeg is het nog niet zo lang algemeen bekend dat godverdomme van oorsprong een zelfverwensing is. Een en ander is het gevolg van een moraaltheologische discussie die aan het begin van deze eeuw in Nederland en Vlaanderen is gevoerd, met als belangrijkste deelnemers monseigneur G.J. Waffelaert en professor O.E. Dignant in Belgi‰, en pater J. Aertnys in Nederland. Daarnaast waren er nog zeker vijf andere deelnemers bij betrokken. Inzet was de vraag: is godverdomme (met al zijn varianten) nu godslasterlijk of niet? En zo nee, wat is het dan wel? Er stonden grote belangen op het spel, want als je met godverdomme God verdoemde dan was dit een doodzonde, met alle gevolgen van dien.

In Nederland verschenen minstens vijf pamfletten over dit onderwerp, die samen goed zijn voor bijna 200 pagina's tekst. Ze zijn overigens in het Latijn geschreven, want het was niet de bedoeling dat de eenvoudige gelovige, met zijn kwetsbare ziel, er direct kennis van zou nemen. Door nauwgezet filologisch en theologisch onderzoek wisten Aertnys en de zijnen overtuigend aan te tonen dat godverdomme geen godslastering is, en dus geen doodzonde.

Dit inzicht moest natuurlijk worden verspreid. Pater Aertnys schreef hierover: ”Als de biechteling zegt dat hij Godverdomme heeft gebruikt, dan zal de biechtvader hem vragen of hij weet wat deze uitdrukking betekent. Als de biechteling zegt dat hij daarmee God heeft gelasterd, of een verwensing aan Gods adres heeft gericht, dan zal de biechtvader hem ten stelligste onderrichten dat dit niet de juiste betekenis is, en hem de ware betekenis verklaren.”

Het Belgische episcopaat pakte de zaak zeer voortvarend aan. In 1903 gaf het de volgende verklaring uit: ”Vele menschen meenen ten onrechte, dat zij door zeker Nederlandsch gezegde de verdoemenis wenschen aan God, terwijl de woorden 'G.v.d.' niets anders bevatten dan een verwensching. Die woorden beteekenen dus door hen zelven geen godslastering, maar werden eertijds gebruikt als eed met verwensching; en daar deze verwensching meestal niet gemeend is, zal die spreekwijze bijna altijd van doodzonde vrij zijn, alhoewel zij onbetamelijk is en min of meer zondig volgens de omstandigheden.”

Voor zover bekend werd het debat in Nederland niet met een offici‰le verklaring afgesloten. Wel zette de geestelijkheid zich ook hier in om uit de wereld te helpen dat godverdomme godslasterlijk en dus een doodzonde was. Dit lukte zo goed dat De Katholieke Encyclopaedie in 1935 kon melden dat dit misverstand, door de eensgezinde actie van de geestelijkheid, ”vrij algemeen uitgeroeid” was. In protestantse werken vindt men, zeker tot aan het eind van de jaren vijftig, vergelijkbare verklaringen.

Hoe staat het inmiddels met de theologische keerzijde van godverdomme? Vanzelfsprekend komt men met zo'n vraag bij de Bond tegen het vloeken terecht, een stichting die tachtig jaar bestaat en 22.000 donateurs telt. Welnu, bij de Bond vinden ze godverdomme ”de grofste vloek, de zwaarste krachtterm die er bestaat”. Men neemt hem dan ook niet in de mond, maar beperkt zich noodgedwongen tot gvd. Opmerkelijk genoeg blijkt de Bond de hele godgeleerde discussie niet (meer) te kennen. Men heeft in dezen dan ook geen antwoord of publicatie paraat. Na het nodige ge‹mproviseer komt medewerker Wim Eikelboom tot de conclusie dat godverdomme zowel een godslastering als een verwensing kan zijn. Een en ander hangt volgens hem af van de intentie van degene die het zegt en van de achtergrond van degene die het hoort (”een SGP'er zal het anders opvatten dan iemand van de RPF”).

Voor de goede orde: hiermee wordt een tamelijk fundamenteel moraaltheologisch inzicht van tafel geveegd dat decennialang op brede steun van zowel katholieken als protestanten heeft kunnen rekenen. Je vraagt je af hoe God daarover denkt.

    • Ewoud Sanders
    • Met Dank aan Ed Schilders