Duitse boom

ZOALS VELEN DE auto niet meer kunnen wegdenken uit het dagelijkse leven, zo kunnen ook velen zich geen Kerstmis zonder kerstboom voorstellen. Zij denken dat de kerstboom al eeuwen in gebruik is en dat de traditie misschien wel teruggaat tot de Germanen of god-weet-wat. Dat is verkeerd gedacht, de kerstboom is een stadse nieuwerwetsigheid die niet eerder dan omstreeks 1835 enige voet aan Nederlandse bodem kreeg en pas omstreeks 1870 - na felle strijd - definitief doorbrak.

Met voldoende geestkracht is hij nog net zo makkelijk weg te denken als de auto.

De introductie van de kerstboom in Nederland is beschreven door J.J. Voskuil van het P.J. Meertens-Instituut (het welbekende 'Die Diffusion des Weihnachtsbaumes in den Niederlanden' is al van 1973) en is in 1982 verder uitgewerkt door A.J. Dekker van hetzelfde instituut in het Volkskundig Bulletin ('De opkomst van kerstboom en kerstviering in Nederland (ca. 1835 - 1880)'). Al eerder had C. Catharina van de Graft er in 'Nederlandse volksgebruiken bij hoogtijdagen' (1947, later bewerkt door T.W.R. de Haan) heel pinnige dingen over gezegd.

In het kort komt het er op neer dat middenstanders van Duitse komaf, in het bijzonder banketbakkers, het Duitse gebruik hier omstreeks 1835 in de grote steden als publiekstrekker voor hun winkel introduceerden. Omdat het gewoonte was allerlei kleine etenswaar, koekjes e.d., in de boom te hangen hoopten zij misschien mèt de boom de omzet te verbeteren. De kerstboom sloeg aan in de betere kringen en kreeg onverwacht steun van een moderne stroming om het Sinterklaasfeest enigszins uit te kleden ten gunste van het kerstfeest. Sinterklaas was aan het begin van de negentiende eeuw ontaard in een sadistische kinderbangmakerij en er is aantoonbaar strijd geleverd tegen die bangmakerij. Kerstmis leek een veel vriendelijker feest, dat bovendien de paapse Sint Nicolaas buiten de deur hield. (Het kerstmannetje, dat eenvoudigweg de uit de VS teruggekeerde Sinterklaas incognito is, liet zich nog niet zien.) De kerstboom is Duits èn protestants, en hij is aanvankelijk dan ook gepusht door dominees en de Maatschappij tot nut van 't Algemeen.

Zoals gezegd: hij sloeg aan bij de betere stand. Kritiek komt er na 1855 als de 'overdadige geschenkengeverij' het ingetogen karakter van Kerstmis bedreigt. Sommigen trekken zich het lot van de in de steek gelaten Sinterklaas aan. Bovendien kan het zijn dat ook het Duitse aspect aan de boom kwaad bloed zette. Tussen 1848 en 1871 voerde Pruisen een aantal onsympathieke oorlogen met Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk. Opeens was de kerstboom fout.

'Laat die gifplant aan onze Duitsche naburen' citeert het Woordenboek der Nederlandsche Taal een verklaring uit 1859. 'Laat Duitschland zijn Kerstboom en Kerstkindeken', gaat Eelco Verwijs in 1863 een stapje verder. 'Maar laat ons onzen Sinterklaas die hier inheemsch is'. Ook Potgieter vond de kerstboom 'bonte poespas'. Maar in 1871 moet worden vastgesteld dat de strijd tegen de boom is verloren. 'Verwijs heeft gelijk, maar 't is te laat', concludeert J. ter Gouw. Uiteindeijk zijn zowel de klassieke Sinterklaas als de aangeklede Kerstmis behouden gebleven en viert Nederland binnen drie weken twee feesten die in hun verschijning grotendeels identiek zijn.

De nationale ontwikkelingen zijn aardig in kaart gebracht, maar hoe staat het in het buitenland? De naslagwerken maken er een soepzootje van, aan verwijzingen naar Germaanse gewoontes is geen gebrek maar uiteindelijk is het 'The Shell book of firsts' van Patrick Robertson (Ebury Pres, 1974) dat de meest nauwgezette informatie geeft. De eerste kerstbomen worden genoemd in de stadsrekeningen van Schlettstadt (Sélestat bij Colmar) in de Elzas. Die vermelden dat in de jaren 1521, 1546 en 1556 niet alleen sparren voor de meiviering werden geleverd maar dat er ook 'Maien' voor kerstmis bij waren. In 1605 bericht een nergens nader omschreven reiziger dat men in Straatsburg met kerstmis versierde 'Dannebäum' in huis zet. (Met het Duitse Danne of Tanne wordt, zoals heel vroeger met het Nederlandse den, een boomsoort bedoeld die tegenwoordig fijnspar heet.)

De eerste verlichte kaarsboom wordt in 1660 genoemd. Volgens het Shell-boek schrijft Lieselotte von der Pfalz, gravin van Orléans, in 1660 in een brief dat het in Hannover in die tijd gewoonte was om buxusboompjes tijdens kerstmis met kaarsen te versieren. Toch was het gebruik toen in Duitsland nog lang niet algemeen. Bekend is, schrijft Van de Graft, dat de uit Frankfort afkomstige Goethe pas in 1756 in Leipzig zijn eerste kerstboom zag. Van de weeromstuit stopte hij er in 1774 een in 'Die Leiden des jungen Werther'. Als Werther zijn onbereikbare Lotte voor het laatst ziet is zij - 't is 20 december - pakjes aan het maken voor de kerstboom. Zij zegt hem een kaarsje toe als hij zijn beste beentje voorzet. Maar het komt er niet meer van.

Anders dan de meeste naslagwerken weten het Shell-boek en zijn Britse auteur met zekerheid dat Engeland in 1800 zijn eerste kerstboom kreeg: dat staat in een biografie over de vrouw van koning George III, Charlotte Sophia von Mecklenburg-Strelitz, die de traditie uit haar vaderland meenam, zij het dat ze een taxus in Windsor liet neerzetten. Het Britse koningshuis - au fond net zo Duits als het Nederlandse - speelde een belangrijke rol in de promotie van de boom.

Frankrijk zou volgens de encyclopedieën wat achteraan lopen, maar juist deze maand geeft het kwartaalblad 'De Plantage-Hortus' een ander beeld. Auteur Nienke Bloksma vond internettend het bericht dat Helena von Mecklenburg-Schwerin, vrouw van de oudste zoon van de Franse koning Louis Philippe, de gewoonte in 1837 in Frankrijk invoerde. Niet alleen de Duitse fijnsparren maar ook de Duitse prinsessen staan aan de basis van het kerstboomsucces. Bedenken we dat koning Willem I was getrouwd met Wilhelmina van Pruisen en dat hij in de strijd tegen Napoleon zelfs in Pruisische dienst trad, dan lijkt het niet onwaarschijnlijk dat Neêrlands eerste kerstboom in een van de paleizen Noordeinde, 't Loo of Soestdijk stond. Vandaar ging het top-down verder over het land.