Er was eens een sprookjesschrijver

Charles Perrault: Sprookjes, in poëzie en proza. Vertaald door Ernst van Altena. Aristos, 207 blz. ƒ 49,90

Charles Perrault (1628-1703) was niet de eerste die sprookjes op schrift stelde. In de zeventiende eeuw circuleerden in Frankrijk heel wat 'blauwboekjes' (zo genoemd naar de kleur van het omslag) met verhalen over koene ridders, duldzame jonkvrouwen en mensenetende reuzen. Colporteurs verspreidden die anonieme uitgaafjes op het platteland, maar ook de Parijse beau-monde kocht en las ze. In Italië hadden Gianfrancesco Straparola (Prettige nachten, 1550) en Giambattista Basile (Il Pentamerone, 1634-1636) bovendien al volkssprookjes verzameld, en die bundels waren in het Frans vertaald. Perrault kende ze en putte zowel uit deze collecties als uit de colportageboekjes voor zijn eigen sprookjes.

Het was allerminst vanzelfsprekend dat hij zich aan dit genre ging wijden. Tot zijn drieënzestigste levensjaar maakte hij carrière als rechterhand van minister Colbert, op wiens instigatie hij de Académie Française hervormde, en genoot hij faam als auteur van galante werken. In 1687 publiceerde hij Le siècle de Louis le Grand. Deze lofzang op Lodewijk XIV bracht hem in conflict met zijn conservatieve collega-dichter Boileau. Hun polemiek werd een belangrijk onderdeel van de 'Strijd tussen de Ouden en de Modernen'.

Pas toen Madame d'Aulnoy in 1690 in haar Histoire d'Hippolyte een sprookje opnam, ontwaakte de verteller in Perrault. Een jaar later publiceerde hij een bewerking van een verhaal van Boccaccio: Griselidis. In 1693 volgde het sprookje De belachelijke wensen en in 1694 Ezelsvel. Elk van deze drie vertellingen was op rijm; Griselidis nog vol omhaal en precieuze versieringen, maar de andere twee al kaler en daardoor in toonzetting dichter bij het volksverhaal. Vanaf De belachelijke wensen begon hij zijn sprookjes (uitgezonderd De gelaarsde kat) ook telkens weer met 'Er was eens...'.

Dat de prozavorm zich beter leende voor dit soort vertellingen, besefte Perrault al in 1692. 'Als Toneelstukken in proza niet minder Toneeldichten zijn dan in verzen geschreven Stukken,' overwoog hij in zijn Vergelijkingen tussen de klassieken en de modernen, 'waarom zouden dan de fabelverhalen die in proza verteld worden niet evenzeer Gedichten zijn als die welke in versvorm worden weergegeven?' In 1696 trok hij openlijk de consequentie van deze gedachte door De schoonheid slapend in het bos in proza te publiceren. Ook voor Het kleine rode kapje, Blauwbaard, Meester de kat of De gelaarsde kat, De feeën, Assepoester of Het glazen muiltje, Riket met de kuif en Klein Duimpje koos hij tegen het rijm.

In 1697 verscheen Perrraults sprookjesproza als Les Contes de ma Mère Loye, Histoires ou Contes du tems passé, avec de Moralitez bij Claude Barbin in Parijs. Onder die titel, de Sprookjes van Moeder de Gans, zouden uiteindelijk al zijn vertellingen bekendheid krijgen. Weliswaar verscheen de uitgave van 1697 onder de naam van Pierre Darmancour, maar dat was Perraults achttienjarige zoon. Er is dan ook weinig aanleiding om serieus te twijfelen aan het auteurschap van Charles Perrault. In 1696 had hij trouwens al een soortgelijke mystificatie gepleegd door een prozabewerking van zijn Griselidis als Mademoiselle Bernard te signeren.

Die prozaïsche Griselidis ontbreekt in de door Ernst van Altena vertaalde uitgave van Perraults Sprookjes. Maar dat is niet echt een gemis. Van Altena biedt een betrouwbare Nederlandse versie van alle elf sprookjes die Perrault geschreven heeft: op rijm of in proza, inclusief de moralen, opdrachten en de begeleidingsbrief bij het Griselidis-gedicht. Een uitgebreid voorwoord, aantekeningen en noten plaatsen de sprookjes in hun literaire en cultuurhistorische context. De vertalingen zijn, Van Altena eigen, levendig - op het virtuoze af, en steeds adequaat.

Na ettelijke decennia van gecorrumpeerde, halfhartige vertalingen, zoals die van H.L. Prenen, is het een verademing om de Moeder de Gans-sprookjes weer onbewerkt te kunnen lezen. Er is ook heel wat afgesold met deze sprookjes. Vooral met Roodkapje. Op een voor Indochina bestemde editie van een negentiende-eeuwse Franse kinderprent wordt die, bij gebrek aan wolven, door een orang-oetan verslonden. En waar de moraal van het oorspronkelijke sprookje knipoogt naar de erotiek, gingen schrijvers als Louis Paul Boon voluit in hun wellustige interpretatie van de ontmoeting tussen meisje en wolf.

Perrault bleef in Het kleine rode kapje dicht bij de volksoverlevering. Bij hem eindigt het meisje dan ook zonder commentaar tussen de kaken van de wolf. Maar een eeuw later gold dit als een onbevredigend slot. In 1812 lieten de gebroeders Grimm hun Rothkäppchen daarom, net als haar grootmoeder, door de jager uit de wolvenbuik bevrijden. Bij de schone slaapster daarentegen was Perrault veel uitgebreider. Grimms Dornröschen besluit met de prinsenkus en het daaropvolgende huwelijk, terwijl de moeder van de prins zich bij Perrault ontpopt als menseneter. Slechts doordat haar zoon op het nippertje van het slagveld terugkeert, eindigt ze in haar eigen slangenkuil en blijven de prinses en haar kinderen in leven.

Zulke verschillen maken sprookjes tot een aantrekkelijk onderzoeksobject voor psychologen (zoals Bruno Bettelheim) en mentaliteitshistorici (zoals Marina Warner). Al even interessant zijn de archetypen die zich in Perraults sprookjes opdringen: de incestueuze vorsten, de kwade stiefmoeders, de combinatie mooi lijf-dom hoofd, en de ring en het glazen muiltje die slechts Ezelsvel en Assepoester passen. Maar bovenal zijn deze sprookjes lees- en voorleesstof die nooit verveelt. Niet het minst door de soepele, stijlvolle vertaling van Van Altena.