Werken op z'n Fries; Brabander promoveert op sociologie van Achtkarspelen

Hoe werkt een algemene werkgelegen- heidsmaatregel in een streekeigen cultuur? In de Oost-Friese gemeente Achtkars- pelen blijken de jongeren hard te willen werken. Dat werk moet dan wel 'echt' zijn.

ZE HEBBEN een uitzonderlijk hoge arbeidsmoraal. En toch is een groot deel van de Achtkarspeler jeugd werkloos. De JeugdWerkGarantie-wet bood voor hen geen oplossing, integendeel: deze overheidsmaatregel ondermijnt juist hun traditioneel grote zelfstandigheid. Wat is hier aan de hand?

Brabander Kees Verhaar promoveerde onlangs op dit probleem, aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. Bij die gelegenheid deed hij onder meer de volgende aanbevelingen om het probleem op te lossen: “Fergje de wurkleaze jongerein yn Achtkarspelen op har kapasiteiten om sels wat te dwaan. Jou har ark, bygelyks in subsydzje foar de wurkjouwer en wat skoallingsjild, en lit har dêrmei de boer op gean.” ('Spreek de werkloze jongeren in Achtkarspelen aan op hun capaciteiten om zelf iets te doen. Bied ze gereedschap, bijvoorbeeld een subsidie voor de werkgever en wat scholingsgeld, en laat ze daarmee de boer op gaan.') De voertaal in de Wageningse aula was het Fries, een unicum in de Nederlandse academische geschiedenis.

Om te zien hoe een algemene overheidsmaatregel, de JeugdWerkGarantie-wet, uitwerkt in de streekeigen cultuur van de Oost-Friese gemeente Achtkarspelen, ondervroeg de geboren Brabander Verhaar er een kleine honderd deelnemers aan de JWG-regeling, grotendeels tussen de 18 en 24 jaar oud. De jongeren bleken bijzonder hard te willen werken. Maar ze wilden 'echt werk': werk waarmee ze zichzelf kunnen redden. Verhaar: “Voor mannen zijn dat masculine beroepen, beroepen waarbij je 'meters kunt maken' en je kracht kunt tonen. Verder moet het in de buitenlucht zijn, werken buiten wordt geassocieerd met vrijheid. Vrouwen neigen naar verzorgende functies en willen vaak graag huisvrouw worden.”

De hoge arbeidsmoraal is opmerkelijk, want de gemeente staat traditioneel juist in een kwade reuk. Zo sprak een rapport uit de jaren vijftig van 'maatschappelijk verwilderde jeugd', en signaleerde in het gebied een primitieve huisvesting, een laag peil van de gezondheidszorg, drankmisbruik èn kindermishandeling. Er werd zelfs voorgesteld om één van de dorpen uit de gemeente maar 'op te doeken'. De kracht van de lokale cultuur werd over het hoofd gezien. Want in Achtkarspelen was men niet alleen bereid de handen uit de mouwen te steken, maar - ondanks de grote armoede - ook bijzonder goed in staat zichzelf te handhaven.

Verhaar verklaart dit uit de geheel eigen geschiedenis van het gebied. “Na de veenafgravingen in Achtkarspelen, midden achttiende eeuw, werden veel arbeiders overtollig. Ze mochten zich niet vestigen in de reguliere dorpen, men stuurde hen letterlijk de hei op. Zo ontstonden nieuwe dorpen, met plaggenhutten en later woonwagens en zelfs bewoonde kippenhokken. Er heersten grote armoede en werkloosheid. Maar op de één of de andere manier ontwikkelde de verstoten arbeiders een ritme en een patroon om zich te handhaven. Dat deden ze met allerlei 'nevenactiviteiten': in Friesland worden deze dorpen nog steeds geassocieerd met kleine criminaliteit en grijs of zwart werk. Maar ook verrichtten ze seizoenswerk als stratenmaken, werken in de bouw, het leggen van kabels of het plaatsen van telefoonpalen. De zelfredzaamheid was hoog.”

GEZINSMORAAL

Deze heidedorpen en de algemene armoede beïnvloedden de hele gemeente Achtkarspelen. Andere elementen van de lokale cultuur zijn een traditionele gezinsmoraal en een zeer sterke verworteling in het Friese. Ook heeft men een dubbelzinnige houding tegenover onderwijs. De waarde van 'doorleren' wordt in theorie erkend, maar de jongeren achten zichzelf er niet toe in staat. Deze op zichzelf niet uitzonderlijke culturele kenmerken vormen in Achtkarspelen een unieke combinatie, die een duidelijke historische continuïteit vertoont. Daarmee is volgens Verhaar sprake van een afzonderlijke, streekeigen cultuur.

Aan deze cultuur legt de JeugdWerkGarantie-wet haar keurslijf op. De jongeren worden uiterst zorgvuldig begeleid, aldus Verhaar. “De uitvoeringsambtenaren regelen de potentiële arbeidsplaatsen, helaas vaak geen 'echt werk'. Ze regelen het sollicitatiegesprek en iemand van de begeleidende stichting gaat mee naar dit gesprek. En als er een probleem is, zoals we allemaal wel eens hebben op onze werkplek, kunnen de jongeren terugvallen op de begeleiding.” Zo worden de jongeren langs de, voor hen (half-)jaarlijks wisselende, gegarandeerde banen geleid. Ze werken bijvoorbeeld in het bejaardenhuis of op het gemeentekantoor. Die banen krijgen vaak een semi-structureel karakter, maar door de wisselende bezetting bieden ze de jongeren geen enkel perspectief op vast werk. Maar ook op een andere manier komen ze niet aan vast werk, want door het JWG-systeem ontbreekt de stimulans om initiatieven te nemen en eigen contacten te ontwikkelen.

Verhaar zag dat graag anders. “Daag die jongeren maar uit om te kijken of er in het eigen netwerk zo'n plaats te vinden valt. Laat ze via een oom of buurman terecht komen bij een werkgever, ze zijn als gratis arbeidskracht aantrekkelijk genoeg. Dan hebben ze hun eigen plekje geregeld en is de betrokkenheid sterker. Zo voelen ze zich sneller op hun gemak, maar de verplichting is ook groter. Want als ze zich er met een jantje-van-leiden van afmaken, worden ze er door de eigen kring op aangekeken.” Die grotere betrokkenheid kan verder betekenen, dat de jongeren eerder gemotiveerd raken om een extra opleiding te volgen. Verhaar maakt wel een uitzondering. “Er blijft natuurlijk een groep over die letterlijk bij de hand moet worden genomen. En dat moet ook vooral gebeuren.”

Hoe is de Brabander Verhaar in Friesland verzeild geraakt? “Gewoon, door te solliciteren bij de Fryske Akademy in Leeuwarden. Dat is een instelling die fundamenteel wetenschappelijk onderzoek doet. Fries is er de voertaal. Die taal moest ik dus leren.” Ook bij de uitvoering van het onderzoek was die kennis onmisbaar, het Fries is voor driekwart van de onderzochte jongeren de eerste taal. Verhaar: ”Je merkt hoe belangrijk de taal is voor de identiteit van mensen. De respons is groter, ze vertellen meer.” Hij schreef ook zijn proefschrift in het Fries, want rond de Fryske Akademy wordt de wetenschappelijke discussie in het Fries gevoerd en Verhaar wilde zijn verhaal uitdragen naar de streek waarin het speelt. Verhaar: “Rond die Akademy zijn zo'n duizend mensen actief met allerlei vormen van onderzoek, waaronder taalsociologen, lokale historici, archeologen en taal- en letterkundigen.”

Het valt Verhaar op dat de keuze om in het Fries te publiceren zelfs binnen de provincie vaak moet worden verantwoord. Voor onderwerpen als de Friese taal zelf en de lokale historie is Fries als wetenschappelijke taal redelijk geaccepteerd, maar op andere terreinen is nog een lange weg te gaan. Verhaar: “Dan is een keuze voor het Fries bijna onzedelijk, alsof je het onrecht begaat de wereld met jouw boek iets essentieels te onthouden.” Verhaar ziet een sterke analogie met het Nederlands. “Veel Nederlandse dissertaties worden tegenwoordig in het Engels geschreven terwijl het eerste, meest relevante publiek het Nederlandse is. Het zou veel beter zijn als die boeken in het Nederlands geschreven werden.”

    • Adri Bolt