Voorbeeldige natuur

Biomimicry: Innovation Inspired By Nature. Door Janine M. Benyus. William Morrow & Company, 1997. ISBN 0-688-13691-5. Prijs $ 25.-

De gebroeders Wright zouden met hun vliegerexperimenten in de duinen van Kitty Hawk vermoedelijk nooit zoveel succes hebben geboekt als ze niet in detail het gedrag van vogels in de lucht hadden geobserveerd. De natuur is nog altijd de beste leermeester.

Daar zijn wetenschap en industrie inmiddels ook achter. Die kijken voor inspiratie steeds vaker naar Moeder Natuur. Per slot van rekening verschilt de biologische evolutie nauwelijks van de technische: ontwerpen worden van generatie op generatie overgedragen en bij voortgezette selectie gestadig verfijnd. Alleen heeft de natuur het voordeel van de enorme tijdsruimte waarover die ontwikkeling zich heeft kunnen uitstrekken. En dat merk je aan de kwaliteit. Kunstvezels mogen dan wel veel sterker zijn dan natuurlijke vezels, het kost ook erg veel energie om ze te produceren en de synthese ervan is vaak bijzonder ingewikkeld. Natuurlijke materialen als collageen, cellulose, kartine en chitine worden gevormd bij normale temperaturen en onder atmosferische druk.

Daarom bestudeert de Amerikaanse metallurge Ann Van Orden de hoornstof van de neushoorn, een natuurlijke composiet met een vezelstructuur die al eens is toegepast in de vleugels van het Stealth-vliegtuig. David Kaplan van het US Army Natick Research Center kijkt naar een eiwit dat in de huid van kakkerlakken voorkomt, een rubberachtig materiaal dat niet uitzet als het met oplosmiddelen in aanraking komt. Christopher Viney van de Universiteit van Washington heeft zich zelfs verdiept in de moleculaire structuur van de slijm van slakken. Deze stof zou onder meer als basis kunnen dienen van smeermiddelen die op water en niet op olie zijn gebaseerd. Olie verhoudt zich doorgaans slecht tot organische oppervlakten.

Al deze onderzoekers houden zich bezig met een multidisciplinaire wetenschap die 'biomimicry' (bio-nabootsing) wordt genoemd. Nabootsen is niet altijd het streven, ook het verbeteren van bestaande ontwerpen behoort tot de mogelijkheden. Het onderzoeksgebied beperkt zich bovendien niet tot de kennis van materialen. De geneeskunde heeft (weer) belangstelling voor Moeder Natuur. Ook boeren laten zich steeds vaker door de natuur inspireren. Prairies kennen een grote verscheidenheid aan vegetatie van lage grassen die een aaneengesloten plantendek vormen. Deze grasvlakten zijn opvallend goed bestand tegen droogte, overstromingen, ziekten en andere plagen. Dit in tegenstelling tot agrarische monoculturen die juist erg kwetsbaar zijn. In Kansas wordt daarom onderzocht of cultuurgewassen op prairies kunnen worden verbouwd. Weer anderen willen complete jungles nabouwen: biosferen waarin een natuurlijk evenwicht wordt bereikt en waarin ook cultuurgewassen zouden moeten kunnen gedijen.

Zelfs computerwetenschappers lijken gefascineerd door de natuur. Rekenen met DNA is veel efficiënter dan met halfgeleiders. In 'Biomimicry' wemelt het van dergelijke fascinerende voorbeelden. De kracht van het boek is dat al deze ontwikkelingen nu eens in een breder perspectief worden geplaatst. Vooral in de laatste hoofdstukken maken de levendige, doch nuchter geschreven journalistieke reportages plaats voor eigen overdenkingen. Zo blijkt Benyus nogal gecharmeerd van het idee van industriële ecologie. Industrieën zouden in haar ogen een eigen biotoop kunnen vormen, waarin hergebruik van afvalstoffen centraal staat.

Een voorbeeld van zo'n biotoop is de Deense stad Kalundborg, waar vier sterk uiteenlopende bedrijven een welhaast symbiotische relatie met elkaar hebben. Overtollig stoom van het elektriciteitsbedrijf wordt weggesluisd naar een raffinaderij en een farmaceutische fabriek. De raffinaderij levert op zijn beurt afvalgassen aan een fabrikant van bouwplaten en de boeren gebruiken het slib uit de fermentatietanks van het farmaceutische bedrijf als mest voor hun landerijen.

Niet langer mag de natuur worden opgevat als een primitieve macht die moet worden onderworpen, is de conclusie. “We moeten,” zo schrijft Benyus, “nog meer naar de natuur luisteren dan we tot nu toe hebben gedaan.”