Vijfhonderd miljoen

Jammer! Doodzonde! Er zijn zoveel boeken waar ik iets over had willen vertellen, maar het zal er deze keer weer niet van komen. Al maanden lang wil ik een keer mijn column wijden aan Francesca Bray's Technology and Gender, Fabrics of Power in Late Imperial China (Berkeley: University of California Press, 1997).

In deze studie laat ze zien hoe de technologieën van huizenbouw, textielproductie en geboortebeperking enerzijds genderverschillen in het China van de laatste dynastieën bevestigden en vormgaven, maar anderzijds sommige vrouwen de mogelijkheden boden op een eigen domein. Dat is toch een onderwerp, zou je denken, dat vrijwel alle beoogde lezers van deze wetenschapsbijlage zou moeten aanspreken.

Ik zal het ook niet hebben over de nadrukkelijke wens van onze volksvertegenwoordiging om de norm van de prestatiebeurs te blijven beperken tot vijftig procent. Ik heb me daar vorig jaar al eens kwaad over gemaakt en dat doe ik nu ook wel weer, maar daar zal ik u nu niet voor de tweede keer mee lastig vallen. Bovendien gaat het er mij ook helemaal niet om dat zwakke studenten zo nodig hun beurs moeten terugbetalen - werklozen hoeven hun uitkering toch ook niet terug te geven.

Uitval in het eerste jaar is trouwens allerminst een typisch Nederlands probleem. Omdat de VSNU haar model van visitatie naar Vlaanderen heeft kunnen exporteren en ik mij in een ogenblik van zwakte heb laten benoemen tot voorzitter van de Vlaamse visitatiecommissie voor de Oosterse Studies, heb ik inmiddels de desbetreffende zelfstudies mogen lezen. In Leuven heeft men na wetenschappelijk onderzoek onder de uitvallende studenten van de Faculteit der Letteren vastgesteld dat voor zestig procent van de studenten die niet in één jaar hun 'eerste kandidatuur' voltooiden, de teleurstellende resultaten te wijten waren aan 'een algemeen tekort aan verstandelijke begaafdheid'. Waar vinden we in de Nederlandse politiek nog een dergelijke eerlijkheid? Niemand zal mij vragen om in het eerste van Ajax te spelen, dus waarom houden wij dan nog zo krampachtig vast aan het paradoxale geloof van 'hoger onderwijs voor velen'?

Maar genoeg over zaken waarover ik het deze keer beslist niet met u wil hebben. Vandaag, zo had ik mij voorgenomen, wil ik de overheveling aan de orde stellen van vijfhonderd miljoen gulden van de eerste geldstroom (de universiteiten) naar de tweede geldstroom (NWO) die de minister in september heeft aangekondigd in het Wetenschapsbudget. Zoals altijd wanneer het ministerie iets besluit, valt er ook voor deze maatregel veel te zeggen. In mijn hoedanigheid van bestuurder binnen NWO zou ik natuurlijk niets liever doen dan nog meer geld uitdelen. Maar de bestuurders binnen NWO zijn allen, met uitzondering van de voorzitter van het algemeen bestuur, ook leden van de universitaire onderzoeksgemeenschap, en dat maakt hen een stuk ambivalenter. Het is één ding om een sigaar uit eigen doos te krijgen, maar toch weer iets geheel anders om alle sigaren uit je eigen doos te moeten uitdelen.

Zelf zie ik de aangekondigde maatregel het liefst in het perspectief van recente commentaren van de Adviesraad voor Wetenschap en Technologie. Ook daarin werd voorgesteld om het volume van de tweede geldstroom aanmerkelijk te vergroten. Het Nederlandse onderzoek moge dan in het algemeen goed tot zeer goed zijn, het moet ook goed blijven en meer competitie, zo is de gedachte, houdt de jongens en meisjes beter bij de les. Als de wetenschap dan topsport is, dan moeten de onderzoeksgroepen ook kunnen doorstoten naar de Champions League en dat kost nu eenmaal een hoop geld zoals wij zien aan PSV en Feyenoord (zonder succes te garanderen, voegen zuinige azijndrinkers daar aan toe).

In de commentaren van de AWT werd wel het voorbehoud gemaakt dat de universiteiten eerst verzekerd moesten zijn van voldoende onderzoekscapaciteit om hun primaire taken te kunnen vervullen. De universiteiten moeten een wetenschappelijk verantwoord eerste-fase-onderwijs kunnen verzorgen en in de tweede fase onderzoekers kunnen opleiden van mondiaal niveau.

Dat is ondoenlijk als de docenten niet ook zelf onderzoekers zijn. En omdat het wetenschappelijk onderzoek in de Nederlandse context nu eenmaal sterk geconcentreerd is aan de universiteiten, moet de omvang van het universitaire onderzoek ook zodanig zijn, dat groepen die niet bij voorbaat in alle prijzen vallen, toch voldoende omvang hebben om niet bij voorbaat altijd kansloos te zijn in de competitie om de vleespotten van de tweede geldstroom. Zolang de minister er niet in slaagt om zelfs bij de huidige financiële meevallers voor het kabinet extra middelen te vinden voor het wetenschappelijk onderzoek, zou hij toch veel ongerustheid kunnen wegnemen als hij de hoogte van het over te hevelen bedrag zou kunnen relateren aan een beredeneerde omvang van de minimale hoeveelheid onderzoeksruimte die universiteiten nodig hebben om de hun opgedragen taken naar behoren te kunnen vervullen.

Een punt dat daarbij aan de orde moet komen is dat van de verschillen in onderzoeksruimte tussen de verschillende faculteiten. Blijkbaar is het in dit land sinds jaar en dag al zo dat alpha's gemiddeld aanmerkelijk slimmer zijn dan gamma's en die weer veel slimmer dan bèta's, want de gemiddelde onderzoeksruimte per docent is voor de laatstgenoemden het dubbele van dat van de eerstgenoemden. Binnen degeesteswetenschappen haalt de onderzoeksruimte van ud's en hoger meestal nog niet eens 0,3 van hun aanstelling. Door de opeenvolgende bezuinigingen van de afgelopen vijftien jaar is die ruimte alleen maar gekrompen. Bij geesteswetenschappen lijkt de grens van de minimale onderzoeksruimte dan ook allang bereikt, zo niet fors overschreden.

Men kan natuurlijk als tegenargument aanvoeren dat de productiviteit van de geesteswetenschappen in die zelfde periode van voortschrijdende bezuinigingen toch maar flink gestegen is. Maar dat doet denken aan het verhaal van de boer die geld wou verdienen door zijn paard steeds minder haver te geven. Toen het paard uiteindelijk zich zo had aangepast dat het helemaal geen haver meer hoefde te hebben, bleek het wel te zijn gekrepeerd. Wie weet, misschien heeft de afslanking van de laatste jaren de prestaties wel bevorderd, maar overmatig gewichtsverlies is zelden bevorderlijk voor de gezondheid. Ook een varken gilt het hardst als het wordt geslacht.

Gesteld nu eens dat na onderzoek zou blijken dat er best een bedrag in de orde van grootte van een paar honderd miljoen overgeheveld zou kunnen worden, dan moet men zich natuurlijk wel realiseren dat de moeizaam omgelegde geldstromen binnen de kortste keren zullen terugkeren naar hun natuurlijke beddingen. Het experiment met de Dieptestrategie toont al aan dat vele excellente onderzoekgroepen de grootste moeite hebben om voor de bij die operatie voorziene bedragen zinnige additionele bestedingen aan te geven. In Nederland is helemaal niet voldoende menskracht van voldoende kwaliteit aanwezig om op korte termijn voor een half miljard per jaar extra onderzoek van het beoogde geniale superniveau te verrichten.

Als het budget van NWO met een half miljard jaarlijks wordt verhoogd, zal NWO zijn procedures voor toewijzing van onderzoeksgelden moeten wijzigen en niet alleen additioneel onderzoek moeten financieren. Het zal moeten overgaan tot de financiering van lopend onderzoek, lock, stock and barrel, met inbegrip van de onderzoekstijd van het zittende personeel in vaste dienst bij de universiteiten en de benodigde infrastructuur. Dat kan en zal op den duur ongetwijfeld tot verschuivingen leiden als NWO de vrijheid krijgt om inderdaad uitsluitend op kwaliteit te beoordelen.

Het feit dat ook het lopende onderzoek meer dan voorheen op projectbasis in competitie gefinancierd zal worden, zal ongetwijfeld bijdragen tot handhaving en verbetering van kwaliteit. Maar iedereen die verwacht dat het over te hevelen bedrag ogenblikkelijk geheel of gedeeltelijk beschikbaar zal zijn voor nieuw additioneel onderzoek schept blijkbaar een pervers genoegen in kapitaalvernietiging - materieel en menselijk.

    • Wilt Idema