Taalles na schooltijd is straf

Onderwijs in eigen taal aan allochtone leerlingen in de hogere groepen van het basisonderwijs moet straks na schooltijd worden gegeven. Dat is een stap terug, vinden betrokkenen.

ROTTERDAM, 29 NOV. Leraar onderwijs in eigen taal Said Tiboucha van de Agnesschool in de Rotterdamse wijk Feijenoord pakt een fles shampoo van een tafeltje naast het bord. Hij maakt een gebaar alsof hij zijn haren wast. Dan pakt hij een stuk groene zeep en wrijft daarmee over zijn arm. Negen kleuters die op kleine stoeltjes rond hun leraar zitten kijken aandachtig toe. Zij luisteren naar meester Said die de Arabische woorden voor haren, hoofd, arm, buik en been opnoemt.

“Rug!”, roept de vijfjarige Soefiane in het Nederlands als meester Said een beetje naar voren buigt en het stuk zeep naar zijn rug brengt. De kleuter veert enthousiast overeind. Met een stralend gezicht kijkt hij op naar meester Said. “In het Marokkaans of Berbers”, corrigeert deze de kleuter. Soufiane gaat weer zitten. Zijn klasgenootje Mohammed (4) is hem voor door snel rug in het Arabische te zeggen.

Op de Agnesschool is het onderwijs in eigen taal van groep één tot en met groep acht geheel afgestemd op het gewone onderwijsprogramma. De Marokkaanse kleuters krijgen bij terugkeer in hun eigen klas hetzelfde verhaal als zij van meester Said hebben gehoord nog een keer voorgeschoteld, maar dan in het Nederlands. Dan kan Soefiane nog een poging wagen iedereen af te troeven door heel snel 'rug' te roepen.

Directeur G. Erwich van de Agnesschool vreest dat de afstemming van het onderwijs in eigen taal op het gewone onderwijs verloren gaat nu de Kamer deze week heeft ingestemd met het buiten de reguliere schooluren plaatsen van onderwijs in eigen talen. Enig lichtpunt is volgens haar dat het onderwijs in eigen taal in de eerste vier groepen van de basisschool voor leerlingen uit achterstandsgroepen behouden blijft.

“Als ik een keuze moet maken tussen onderwijs in eigen taal voor de laagste groepen of hoogste groepen, kies ik voor de laagste groepen”, zegt Erwich. “Door de taalvaardigheid in hun eigen taal te verbeteren, pikken allochtone kinderen hun nieuwe taal het Nederlands tien keer beter op.”

Toch is het loslaten van de koppeling in de hogere klassen voor de Agnesschool “absoluut ondenkbaar”. Daaraan dankt de basisschool in achterstandswijk Feijenoord juist haar succes, meent Erwich. Zij denkt dat andere scholen die het onderwijs in eigen taal nog niet volledig hebben afgestemd op het gewone onderwijsprogramma daar nu niet meer aan beginnen.

Onderzoeker P. Wolfgram van het Centrum Educatieve Dienstverlening in Rotterdam (CED) vindt de Agnesschool “uitstekend”. De school is een voortrekker op het gebied van onderwijs in achterstandswijken en onderwijs aan allochtonen. Volgens het CED zitten de leerlingen die van de Agnesschool afkomen op het landelijk gemiddelde, terwijl 94 procent van hun ouders hooguit de basisschool heeft afgemaakt en enkelen analfabeet zijn. Van de leerlingen van de school is 95 procent van allochtone komaf.

R. Appel, hoogleraar verwerving en didactiek van Nederlands als tweede taal van de Universiteit van Amsterdam, ziet wel “enige logica” in het plan om bij het onderwijs in de eigen taal onderscheid te maken tussen de lagere en de hogere groepen. “Bij de hogere groepen maakt het meer deel uit van het formele taalonderwijs en krijgt de eigen cultuur aandacht. In de lagere groepen is het belangrijk voor de verwerving van het Nederlands en de overgang van thuis naar school.” Volgens Appel verwerven allochtone leerlingen het Nederlands beter als zij niet, zoals vroeger, een “onderdompeling” in het Nederlands krijgen, maar ook hun moedertaal beter leren spreken. Onderzoek van het Rotterdamse CED bevestigt dat.

Momenteel krijgen ongeveer 67.000 allochtone scholieren les in hun eigen taal, onder wie zo'n 60.000 Turkse en Marokkaanse jongeren. Appel verwacht dat de animo van allochtone leerlingen om onderwijs in de eigen taal te volgen zal zakken als de lessen buiten de reguliere schooltijd vallen. “Langer op school blijven heeft iets van straf. Voor straf moet een leerling ook nablijven.”

Als de eigen taal pas na schooltijd aan de beurt komt, geef je allochtone kinderen het signaal dat hun moedertaal minder status heeft dan het Nederlands,zegt beleidsmedewerker E. Codina van het CED, zelf van Spaanse komaf. “Nu wordt hun taal binnen de school gegeven, straks in de uurtjes na schooltijd.” Volgens Appel zullen de taallessen na schooltijd grote organisatorische problemen veroorzaken. De leerkracht die onderwijs in eigen taal doceert, kan nu de hele dag door lesgeven, terwijl onder de nieuwe wet al het onderwijs in eigen taal voor de hogere groepen in de paar uren na schooltijd moet worden gepropt.

De enige scholen die niet op zulke organisatorische problemen zullen stuiten, zijn de scholen die leerlingen uit één allochtone groep hebben. Een school met uitsluitend leerlingen van Turkse afkomst zal het onderwijs in eigen taal over de dag kunnen verspreiden door tussenuren te creëren. Appel erkent dat de wet als “bijeffect” heeft dat de tendens naar scholen met leerlingen uit één allochtone groep wordt versterkt. Hij vindt dit echter “niet zo belangrijk”, omdat “deze ontwikkeling toch al gaande is”.

In de nieuwe wet wordt het onderwijs in eigen taal in principe toegankelijk gemaakt voor alle groepen allochtonen. Tot dusver was de regeling gereserveerd voor de groepen die in de jaren zestig en zeventig als gastarbeider naar Nederland zijn gekomen. Straks beslissen de gemeenten of een groep allochtonen in aanmerking komt voor onderwijs in eigen taal.

Het ministerie van Onderwijs verwacht dat door deze decentralisatie kleine groepen allochtonen gemakkelijker onderwijs in eigen taal krijgen. Appel deelt dat optimisme niet. Hij denkt dat de decentralisatie “te vrijblijvend” is en “willekeur” in de hand werkt. “Gemeenten zijn niet verplicht onderwijs in eigen taal te geven.”