Schrijfster Aya Zikken ontvangt vandaag de Anna Bijns Prijs; 'Ik ben een ontdekkingsreiziger'

Vandaag krijgt de schrijfster Aya Zikken de zevende Anna Bijns Prijs uitgereikt, de prijs voor de vrouwelijke stem in de literatuur. Zikken verwierf in 1958 bekendheid met haar boek De atlasvlinder. Nu heeft ze een oeuvre van zo'n vijfentwintig titels op haar naam.

De boeken van Aya Zikken verschijnen bij de uitgeverijen Nijgh & Van Ditmar en Atlas.

AMSTERDAM, 29 NOV. Ver voorbij de buurtschappen met de intrigerende namen Een, en zelfs West-Een, woont in de verlatenheid van het Drentse landschap de schrijfster Aya Zikken. Hoewel, van wonen in de strikte betekenis van het woord is bij haar geen sprake. Ze kan allang niet meer tellen hoeveel onderkomens, optrekjes, huizen waar ook in het voormalige Nederlands-Indië en daarna in Europa ze heeft gehad. Voor zolang als het duurt, heeft zij nu temidden van de bossen een tot zomerhuis verbouwde arbeiderswoning gehuurd.

Aya Zikken werd geboren in 1919 in het Gelderse Epe en het is voor haar schrijverschap een groot geluk geweest dat haar ouders besloten naar Nederlands-Indië te verhuizen. Zij was toen bijna zeven jaar en tot haar twintigste is zij ginds in de Oost blijven wonen. Dat 'ginds', die wereld aan gene zijde, is de wereld die haar heeft gevormd, voorgoed. Het kan dan ook niet toevallig zijn dat drie Nederlandse auteurs met een Indisch verleden in de jury zaten van deze prijs: Hella Haasse, Helga Ruebsamen en F. Springer.

Wat die 'vrouwelijke stem' precies betekent, dat weet Aya Zikken niet. De oplossing van dat raadsel is voorbehouden aan de Anna Bijns Stichting, die haar de prijs toekende. “Als er een vrouwelijke stem bestaat”, zegt Aya Zikken, “dan zou er ook zoiets zijn als een mannelijke stem in de literatuur. Ik heb daarover nooit nagedacht. Als kind wilde ik ontdekkingsreiziger worden, maar er valt nog maar zo weinig te ontdekken. Eigenlijk is alles al ontdekt en naarmate je ouder wordt, blijft er steeds minder over.”

Met het verlangen om verhalen te vertellen wortelt Aya Zikken diep in de Nederlands-Indische verhalende traditie: “In Indië en nu ook in Indonesië vertellen mensen elkaar verhalen, hier in Nederland niet. 's Avonds, na het werk, zitten de mensen daarginds in een kring en dan staat er iemand op die begint te vertellen. Met details, uitweidingen, kleinigheden; familieverhoudingen horen er altijd bij. In Nederland bestaat dat niet. Als ik hier ben, wacht ik altijd tot iemand een verhaal begint te vertellen. Maar veel verder dan het vertellen dat ze op de tram hebben staan wachten die vertraging had of over de file komen ze niet.

“Kijk, iemand als u die zo'n tocht heeft gemaakt door uit Amsterdam over Friesland naar hier te rijden, misschien bent u in Friesland wel een huis gepasseerd waar u ooit enige maanden verbleef. Daar zou een Indonesiër maanden op teren. Hij zou eerst vertellen over de weg, dan over de huizen ernaast, en dan dat ene huis dat hij kent. De volgende keer meer. Het zou geen dor verslag zijn, maar een verhaal.”

Hoewel Aya Zikken sinds 1980 reisboeken schrijft die zich in Zuidoost-Azië afspelen, zou ze voor 'geen goud' in Indonesië willen wonen. “Ik mis daar de privacy, zelfs eigenlijk hier al. Dan moet ik weer zo nodig ergens een kopje koffie drinken, vreselijk. Ik woon niet voor niets in de afzondering. Ik ga ook niet naar Indonesië uit heimwee, dat is een misverstand. In de belangrijkste jaren van mijn leven, de puberteitsjaren, woonde ik daar. Ik wil terug omdat ik de ervaringen van toen weer wil beleven, het is een verlangen naar de kindertijd. Iemand die in Hellevoetsluis opgroeide, wil waarschijnlijk ook weer terug naar de plek van zijn jeugd. Het heeft te maken met de capaciteit om de dingen opnieuw voor het eerst te ervaren. Het schrijven van mijn boeken ligt in het verlengde van dat verlangen om ervaringen, gebeurtenissen, belevenissen met mensen en hun verhalen opnieuw schrijvend te ontdekken.

“Wie in Indië is geboren, komt eigenlijk nooit meer ergens thuis. Hij woont niet in gindse wereld, en evenmin in de Nederlandse. Al ben ik dan niet van gekleurd bloed, mijn geest is wel gekleurd. Zoals het bijna alle Indië-gangers verging, verhuisden wij om de twee jaar. Van hotels naar achterafhuisjes naar weer een nieuw huis. Mijn vader zei altijd: 'Je moet je niet hechten, niet aan mensen, niet aan plekken. Dan doet het afscheid minder pijn.' Dat heeft me geleerd afstandelijkheid te behouden.

“Je kunt je afvragen of het moedig is of juist laf zo alleen te willen leven en alleen te willen reizen. Misschien is het ook wel heel moedig om met zijn tweeën op te trekken. Natuurlijk, als mijn dochter hier is met haar kinderen, is het feest. Maar als ik reis moet ik alleen zijn. Dan sta ik open voor mijn omgeving. Het zijn vooral vrouwen en kinderen die naar je toe komen. Ik beheers het bahasa Indonesia enigszins, maar het praten gaat toch vooral met handen en voeten. Als je door landen reist waarvan je de taal niet beheerst, dan gebruik je veel meer gebaren- en klanktaal. Dan druk je mimisch uit dat je een heel eind naar dit en dit dorp bent gelopen over rollende stenen. Dat werkt altijd.

“Ik reis eigenlijk vooral om verhalen van mensen te horen. Ik sta open voor hen, ben een luisteraar geworden. In Nederland kan ik minder goed luisteren, daar wel. Ik geef woorden aan, een kleine handreiking, en heel langzaam, stukje bij beetje, komt het levensverhaal eruit. Mijn boek De polong uit 1994 dat gaat over een mystiek voorval, is zo ontstaan.

“Ik heb, althans dat hoop ik, heel geleidelijk aan een nieuw genre ontwikkeld. Ik weet ook niet of mijn boeken reisboeken zijn of romans. Een mengvorm, denk ik. Ik wil altijd aan de hand van de achtergrond, het vreemde en verre land dus waar doorheen ik reis, mijn eigen plaats in de wereld illustreren. Ik ben, nog steeds als een ontdekkingsreiziger, telkens weer vol verbazing. Als ik op een wrak bootje over de back waters van India vaar, dan sta ik ervan versteld dat ik dit mag meemaken. Ik wil aldoor op weg, aldoor nieuwe ervaringen, nieuwe avonturen. Als ik te lang op een plek woon, dan denk ik: 'Het wordt tijd te gaan.' Dat is het Indische aan me. Enerzijds het verlangen me te hechten, anderzijds het niet kunnen. Een paar jaar terug stond ik voor het huis in Lahat op Zuid-Sumatra, waar we woonden. Ik ben toen niet naar binnen gegaan, bleef buiten. Op een tweede reis ben ik wél naar binnen gegaan. Het was een welbewuste keuze het huis toen niet te betreden; ik dwong als het ware mezelf de illusie af nog een paar jaar verder te leven om het later nog eens te zien, en dan echt te bezoeken.”