Rare roddel over Elizabeth

Er is onlangs een roddelboek verschenen over de Engelse koninklijke familie. Ik heb het niet gelezen, maar wel enkele besprekingen ervan in kranten en tijdschriften, waarin uiteraard enige onthullingen werden geciteerd. Over één ervan die ik verschillende keren tegenkwam blijf ik mij verbazen. Koningin Elizabeth zou eertijds zijn verwekt met behulp van kunstmatige inseminatie. Aangezien zij eenenzeventig jaar is, moet dat in de jaren twintig hebben plaatsgevonden. Wie roddelt moet de zaak toch wel een beetje aannemelijk houden.

Het prinselijk paar zal zich net als alle andere stervelingen in die tijd hebben moeten neerleggen bij een eventuele kinderloosheid. Zo was het althans bij de kinderloze paren die ik in mijn jeugd in de jaren veertig en vijftig kende. Het was een stil verdriet waarover nauwelijks werd gesproken, maar door de omgeving wel werd gevoeld.

Toen later kunstmatige inseminatie en vruchtbaarheidsbehandelingen mogelijk werden heb ik me wel eens afgevraagd wat dat voor deze inmiddels oud geworden mensen betekende. Waarschijnlijk een al dan niet openlijk uitgesproken weemoedig “ach had dat vroeger maar gekund”. Een gevoel dat zij delen met degenen die dierbaren hebben verloren aan ziekten waartegen later een afdoende medicijn is gevonden.

Formeel gesproken is het niet juist onvruchtbaarheid en ziekte met elkaar in verband te brengen. Daar wordt bij herhaling op gewezen door degenen die er tegen zijn dat binnen de gezondheidszorg veel geld wordt uitgegeven aan onderzoek naar en toepassing van voortplantingstechnieken. De meeste onvruchtbare mannen of vrouwen zijn gezond. Gelukkig wel. Maar toch mankeert er iets aan hun lichaam. En gezondheidszorg is er niet alleen voor ziekten, ook voor mankementen. Vruchtbaarheidsbehandelingen horen dan ook in het pakket. Sportblessures zijn per slot van rekening ook nauwelijks als ziekten op te vatten.

Het percentage vrouwen dat vrijwillig kinderloos wil blijven neemt toe. Het is een zegen dat wie zich niet tot het moederschap voelt aangetrokken tegenwoordig niet langer door ontbrekende voorbehoedsmiddelen en sociale afkeuring gedwongen toch kinderen moet grootbrengen. Psychologe Dymphie van Berkel schrijft in een overzichtsartikel in de zojuist verschenen bundel Kiezen voor kinderen dat vrijwillige kinderloosheid in 1965 nog volstrekt onaanvaardbaar was en in 1985 al door 86 procent van de bevolking werd geaccepteerd.

Uit dergelijke cijfers moet echter niet worden geconcludeerd - Dymphie van Berkel doet dat overigens ook niet - dat de kinderwens in het algemeen niet zo diep zit, en niet worden ontkend dat kinderloosheid sommige paren intens ongelukkig maakt. Ondanks de praatprogramma's met in het openbaar breed uitgemeten leed is er nog steeds veel stil verdriet. Wie zelf kinderen heeft of vrijwillig van het ouderschap afziet, moet hier niet lichtvaardig over denken.

De mogelijkheid van vruchtbaarheidsbehandelingen is volgens mij dan ook, net als de voorbehoedsmiddelen, tot de zegeningen van deze tijd te rekenen, zij het dat het een emotionele belasting is om er gebruik van te maken en het verdriet als het definitief mislukt, ingrijpend is. Alleen, dan weet men ook zeker dat men kinderloos zal blijven en dat is een vooruitgang vergeleken met vroeger, toen ondanks de maandelijkse teleurstelling voor sommigen toch de hoop zacht zeurderig kon blijven bestaan, want waren er niet de voorbeelden van paren die na vijftien jaar huwelijk alsnog een kind kregen?

Kinderen die via kunstmatige wegen worden verwekt zijn gewenst. Daardoor vormen ze ook een goed voorbeeld hoe twee tegenovergestelde veronderstellingen beide plausibel kunnen zijn. De ene veronderstelling gaat ervan uit dat het gewenst zijn een gunstig effect heeft. Hoeveel vreugde zal het kind zijn ouders niet brengen en hoe zal dat niet zijn gevoel van veiligheid, zekerheid en zelfvertrouwen ten goede komen. De andere veronderstelling is pessimistisch: het kind waarvoor de ouders zo veel moeite hebben moeten doen kan tegenvallen. Of het kan zo worden vertroeteld en beschermd dat het emotioneel stikt.

De ene hypothese is niet waarschijnlijker dan de andere en het zal voornamelijk de eigen beperkte praktijkervaring zijn die bepaalt tot welke van de twee men zich aangetrokken voelt.

Maar gelukkig is daar het systematisch onderzoek. Psycholoog Van Balen komt op basis van eigen zowel als buitenlandse empirische gegevens over de opvoeding van kinderen die geboren zijn via in vitro fertilisatie tot de volgende conclusie: “Er komt uit deze onderzoeken een coherent beeld naar voren: het IVF-gezin heeft veel gemeen met het normale gezin, maar indien er verschil blijkt, is de situatie bij IVF beter. Uit het merendeel van de onderzoeken blijkt dat IVF-moeders meer emotioneel betrokken zijn bij hun kind en het meer warmte schenken. Ook is er minder ouderlijke stress.” Het gedrag van het kind wordt ook wat positiever gekarakteriseerd dan gemiddeld: sociaal, actief en levendig.

Duidelijke gegevens over het grootbrengen van kinderen die via kunstmatige inseminatie zijn verwekt zijn er niet, omdat de meeste ouders - althans tot voor kort - daar noch met hun kind noch met de omgeving over spraken, als daar geen dringende redenen voor waren. Zodat er evenmin een bron was voor roddel.

    • Rita Kohnstamm