Oog voor de komische kant van gescharrel

AMSTERDAM, 29 NOV. Zestig is Liu Zhixian en nu pas zoekt hij de liefde. Toen hij een jongen was droomde de Chinees van een universitaire studie. Die droom werd werkelijkheid, Liu Zhixian werd zelfs professor. Toen brak de Culturele Revolutie uit. Op rustige toon vertelt hij in de documentaire Az út (The Way) van de Hongaar Ferenc Moldoványi hoe de geschiedenis zijn leven grondig verwoestte. Zijn baan raakte hij kwijt, hij werd verbannen naar een uithoek en min of weer gedwongen een huwelijk aan te gaan met een onontwikkeld boerenmeisje.

Terwijl we zijn stem horen, zien we Liu Zhixian bedaard rondwandelen door zijn eigen film. Inmiddels woont hij in Hongarije, waar hij deel uitmaakt van de Chinese immigrantengemeenschap. Tegen een begripvolle kapster zien we hem verhalen van zijn desastreuze pogingen om een vrouw voor zich te winnen. De camera volgt hem naar Peking, waar hij opnieuw een poging waagt. Net als hijzelf filosofeert deze jonge huwelijkskandidate er lustig op los, maar haar romantische overpeinzingen eindigen met het dodelijke credo dat eerst het geld komt, dan de liefde. Vervolgens ontmoet hij voor het eerst in vijf jaar zijn zoon, een onevenwichtige, jonge dichter wiens binnenwereld ernstig ontregeld is geraakt. Liu Zhixian beseft de tragische onrechtvaardigheid waaronder zoveel slachtoffers gebukt gaan: hij torst ook een grote schuld. Zijn overlevingsinstinct heeft hem gevoelsarm gemaakt, zijn zoektocht naar liefde heeft hem zijn zoon in de steek doen laten.

Gefnuikt door de geschiedenis zijn ook de meeste protagonisten in Het Ondergrondse Orkest, de nieuwe documentaire van Heddy Honigmann, die gisteren tijdens het festival een bejubelde première beleefde. Er is echter een groot verschil met Az út: Honigmanns losse reeks portretten van straatmusici uit alle windstreken die Parijs tot hun ballingoord hebben gemaakt, bezit van begin tot eind een speelse, lichte toon die de cerebrale documentaire van Moldoványi jammerlijk mist. Kenmerkend is het begin; de camera ontdekt als het ware in het voorbijgaan de musici in de metro en laat ze dan even achteloos weer los. Pas later worden hun verhalen gezocht en krijgen ze reliëf: de manisch opgewekte zanger uit Zaïre, eens als jongen door Mobutu in een strafkamp opgesloten, de voormalige violist uit het symfonieorkest van Sarajevo, die nu musicerend langs de terrassen trekt, de Venezuelaanse harpist die zijn huis dreigt kwijt te raken, en nog veel anderen.

Het verbindende thema van hun verhalen wordt gauw duidelijk: vertrapt door politiek, gemangeld door armoede, weten deze mensen hun waardigheid te bewaren in hun muziek. In Honigmanns ondergronds orkest in de metrogangen van Parijs klinkt de onverwoestbaarheid van de menselijke geest door. Dat zou gemakkelijk een sentimenteel of opgeblazen tragisch verhaal kunnen worden, maar Honigmann is iedere opzichtige retoriek vreemd. Ze bezit een fenomenaal oog voor de komische kant van het manmoedige gescharrel waarmee mensen zichzelf onder de moeilijkste omstandigheden op de been houden. Zelfbeklag ontbreekt in Het ondergronds orkest, wat overheerst is een bescheiden blijmoedigheid, donker gekleurd door weemoed.

In slechts één scène drijft ze haar thema op de spits: een Argentijnse pianist vertelt hoe de militairen zijn handen onder stroom zetten, ze uitrekten en ze dreigden af te hakken. Daarna zien we die handen in virtuoos pianospel. Die beelden missen hun uitwerking niet, vooral omdat ze meteen gevolgd worden door een fraai onwereldse trapezeact van een acrobate met een witte kat, begeleid door een zigeunerviool. Maar minstens zo ontoerend vond ik de korte scéne waarin de violist uit Sarajevo zijn broer van de trein haalt, eveneens een violist. Wanneer die zijn broer ontwaart rent hij op hem af, zet zijn koffer op de grond en springt hem in de armen. Zijn instrument houdt hij vast.

    • Bas Heijne