Newman en de omkering der waarden

De vernieling van Cathedra heeft voor veel beroering gezorgd. Waar het volgens E.J. Dommering om gaat is, hoe wij de openbaarheid van cultuurgoederen kunnen blijven garanderen.

Op de opiniepagina van deze krant stonden op 25 november drie reacties op de aanslag op het werk Cathedra van Barnett Newman, die op vrijdag 21 november in het Stedelijk Museum in Amsterdam werd gepleegd. De filosoof Cliteur en de kunstcritici Anna Tilroe en Janneke Wesseling lieten hun licht over de affaire schijnen. Ik beperk mij hier tot de bijdragen van Cliteur en Tilroe, omdat daarin op een verwerpelijke manier met waardenoordelen wordt gegoocheld.

Cliteur acht het werk door de aanslag in 'waarde' gestegen en ziet daarin een daad van verzet tegen de abstracte kunst. Zelf laat hij zich ook niet onbetuigd door het werk wat saai te noemen, niet te vergelijken met een werk van Rembrandt. Newmans werk zou louter idee zijn. “Cathedra was niet mooier of minder mooi geweest als het vlak van Newman groen was geschilderd of de verticale lijn een horizontale lijn was geweest.” Het moet van hem in de gehavende toestand gehandhaafd worden. Zo zal het als nieuw werk een weg in de kunstgeschiedenis vinden.

Tilroe ziet in de aanslag ook een daad van verzet tegen de abstracte kunst. Zij meent te weten dat de dader een kunst-hooligan is. In haar stuk schakelt ze in één moeite door naar het al enige tijd lopende debat over de beslotenheid van het moderne kunstcircuit dat door het boekje van Riki Simons De gijzeling van de moderne kunst is aangezwengeld. Op Fuchs' uitlating naar aanleiding van de aanslag dat het werk een hemels visioen is, reageert zij met: “Door dit soort bigotterige taal wordt het idee dat moderne kunst, zoals Riki Simons schrijft, een zaak voor ingewijden is alleen maar bevestigd. [...] En daarmee roept zij een cultuur van stanleymessen over zichzelf af.”

Wat allereerst opvalt in beide bijdragen, is dat er voetstoots van wordt uitgegaan dat wij met een overtuigingsdader te doen hebben. Wij weten uit de media alleen dat het om dezelfde dader gaat die elf jaar geleden Who is afraid of Red, Yellow and Blue van Newman naar de andere wereld hielp. En dat hij op de bewuste vrijdag het museum is binnengegaan om dat gerestaureerde doek aan te vallen. Toen hij het niet kon vinden nam hij Cathedra onder handen.

Behalve de uitlating van de dader in de media dat hij de eerste aanslag pleegde als een ode aan Willink, weten wij niet of de dader zich onderscheidt van de gemiddelde kunstvandalen die minder kieskeurig zijn en ook klassieke werken (bijvoorbeeld Willinks tijdgenoot Pyke Koch in het Utrechts Museum, zoals onlangs bekend is geworden) aanvallen.

Ook de door Fuchs geopperde gedachte dat de te grote zuiverheid van het doek de daad heeft opgeroepen, geeft te veel eer aan iemand die tegenover de media heeft verklaard dat hij elf jaar lang heeft lopen piekeren wat hij nog eens aan de restauratie van 'Who is afraid' kon doen. In ieder geval is de vijftien seconden die hij met het mes bij Cathedra heeft doorgebracht onvoldoende geweest om de door Wesselink in haar stuk geschetste staat van sublimiteit te bereiken.

Cliteurs bijdrage is, zelfs als men die opvat als een boutade (maar dan wel een op het verkeerde moment), op niets anders gebaseerd dan zijn waardeoordeel over de abstracte kunst. Iedereen zij zijn subjectieve voorkeuren gegund, maar er is onder kunsthistorici toch wel consensus dat Newman een belangrijke vertegenwoordiger is van de Amerikaanse variant van het modernisme.

Het is ook onzin om te beweren dat zijn werk louter idee is en dat van Rembrandt niet. Ieder werk van beeldende kunst is idee en uitdrukking tegelijk, en het werk dat in de geschiedenis komt bovendrijven ontleent die drijfkracht aan de waarde en de betekenis die een cultuur er achteraf aan toekent. Wie een kunstwerk aantast, vernietigt dus tevens een culturele waarde.

Daarom zou die aantasting een ernstiger misdrijf moeten zijn dan het stukslaan van een tramhuisje. Het tentoonstellen van een beschadigd werk beschouw ik, anders dan Cliteur, niet als een waardevermeerdering, maar als een cultureel bankroet.

Tilroe meent dat moderne kunst elitekunst is en steeds onbereikbaarder is geworden voor het brede publiek. Er is inderdaad te veel esoterisch gedoe in de moderne beeldende kunst. Daar is gedeeltelijk iets aan te doen door de opvattingen en attitudes van de dragende elite aan een kritisch openbaar debat te onderwerpen. Maar elitair zal het wel blijven, zoals het dat altijd is geweest. Een cultuur wordt gedragen door elites, en als de vertegenwoordigers daarvan bij de aanslag op een kunstwerk in het openbaar getuigen dat zij een cultuur van stanleymessen over zichzelf heeft afgeroepen, is het snel met die cultuur gedaan.

De vraag die werkelijk aan de orde is, is hoe wij de openbaarheid van cultuurgoederen kunnen blijven garanderen zonder musea in bunkers te veranderen en de kunst achter spiegelend pantserglas te verstoppen. Dat kunnen wij om te beginnen doen door te staan voor de waarden die op het spel staan. Dat doen de bijdragen van de filosoof Cliteur en de kunstcritica Tilroe niet.