Mislukt beschavingsoffensief

Zelf was ik te hoog opgeleid voor het leger. Daarom trok ik een slipje van mijn zus aan toen ik mij moest melden voor de keuring. De dienstdoende arts kon daarna niets anders doen dan mij met een S-5 naar huis sturen. In die tijd stond de diagnostiek van de seksuele voorkeur nog in de kinderschoenen.

Ik was daar blij mee. Een S-5 gold in het hippietijdperk als het enige echte bewijs van deugdzaamheid. Alleen zij die geestelijk niet geschikt bevonden waren voor het militaire bedrijf, zouden het koninkrijk van de Goede Vibraties beërven. Zeker als je ook nog eens sociologie studeerde in Amsterdam. Dat ik door dat slipje geen echte man zou worden was een klein bezwaar waar ik niet wakker van lag. Er bleven nog genoeg uitdagingen over.

Zo dacht ik erover. En zo denk ik er nog steeds over. De prestaties van het Nederlandse leger in de afgelopen vijfentwintig jaar geven mij niet de indruk dat ik iets ben misgelopen. De enige intellectuele aantrekkingskracht van de krijgsmacht vormt het sociologische raadsel van deze organisatie: hoe is het mogelijk dat zoveel maatschappelijke nutteloosheid zo vanzelfsprekend getolereerd wordt in een samenleving die de efficiency van menselijke inspanningen tot hoogste norm verheven heeft?

Het antwoord daarop is niet eenvoudig. Heel lang voedde het systeem zichzelf met de miljarden aan belastinggeld die Den Haag automatisch overmaakte om de toegezonden lichtingen achttien maanden lang van nasi goreng te voorzien. Maar ook nu de dienstplicht afgeschaft is, en men toch zou denken dat een beroepsleger als professionele organisatie zelfstandig moet kunnen overleven op de internationale oorlogsmarkt, zijn er maar weinig politieke partijen die aandringen op serieuze bezuinigingen. Het doelloze marcheren, tijgeren, wachtlopen en koperpoetsen waar lichtjaren levenslust in zijn weggevloeid, wordt nog steeds op staatskosten in stand gehouden. Ook na het Srebrenica-drama waar het poetsvermogen voor de Nederlandse soldaat zulke rampzalige gevolgen had, is Joris Voorhoeve gewoon blijven doorgaan met het werven van nieuwe contractanten voor dit zinloze werk. Waarom?

Ik denk dat het verband houdt met een nieuw soort oorlogsdreiging. Niet die van de internationale schermutselingen, die tot de bijverschijnselen van de nieuwe wereldorde gerekend moeten worden, maar die van een binnenlandse strijd. Het is de oorlog die al jaren sluimert in de kansloze uithoeken van de samenleving en die tot nu toe uitgevochten werd in het lager beroepsonderwijs, in buurthuizen, in banenpools, in reclasseringsprojecten, op afkickboerderijen en op hangplekken. Ik bedoel de stugge worsteling van de hoog-opgeleide overheidsbeambten met de laag-opgeleide probleemjongeren. Het is hét grote beschavingsoffensief van deze eeuwwisseling en het maakt maar geen vorderingen.

Net toen het welzijnswerk de armen in de schoot wilde leggen, wierp het Nederlandse beroepsleger zich op als redder in de maatschappelijke nood. Om de burgermaatschappij te ontlasten, en de collega's van Sociale Zaken een plezier te doen, nam Defensie de laatste twee jaar zoveel mogelijk van deze hangjongeren in dienst. Daartoe zijn de opleidingseisen, de lichaamslengte en binnenkort, met goedkeuring van de Tweede Kamer, de leeftijdgrens verlaagd. Met zestien jaar kunnen de vechtersbazen uit het getto zich al aanmelden voor een carrière in de vredebeheersingsindustrie. Als lokkertje krijgen ze een poster van een gevechtsvliegtuig. Dat het werkt, blijkt uit het feit dat het nieuwe defensiepersoneel al voor een kwart bestaat uit allochtone jongeren.

Zal Defensie slagen waar de burgermaatschappij faalde? Zal de stormbaan disciplinerender werken dan een werkervaringsplaats? Zal het klaverjassen en toepen het inburgeren van de recruten pas echt mogelijk maken? En zal het oliën van een machinegeweer de geweldsfantasieën op een positieve wijze kanaliseren?

De eerste ervaringen wijzen niet in die richting. In Tijdsein, het actualiteitenprogramma van de EO, klaagden dinsdag drie militaire deskundigen hun nood over de invasie van deze laag-sociale huurlingen. Maar liefst 36 procent van de nieuwe recruten heeft niet meer opleiding dan de basisschool, meldde een sombere voorzitter van de militaire vakorganisatie AFMP. Vinden we dat tegenwoordig voldoende voor het verantwoord uitoefenen van geweld? was zijn retorische vraag. De legerpredikant Lagewinkel constateerde dat het op de slaapzalen van de contractanten 'een grote puinhoop' is. Seksuele intimidatie en drugsgebruik komen steeds vaker voor. Zijn theorie was dat sociaal zwakkere jongeren in een groep de sterkeren automatisch mee naar beneden trekken. Van doorgewinterde hulpverleners had hij begrepen dat dat onvermijdelijk is als het percentage boven de veertig komt. De Nederlandse krijgsmacht nadert deze kritische grens in snel tempo.

De aanwezige defensiespecialist van D66, Hoekema, kon maar één conclusie trekken. Als het sociale niveau van de troepen zo allerbelabberst is, worden bezuinigingen op Defensie voor zijn partij bespreekbaar. Met zo'n zootje ongeregeld kun je internationaal niet voor de dag komen.

Het ziet er dus naar uit dat het binnenlandse beschavingsoffensief voor de huidige krijgsmacht een brug te ver is. Van het rondstruinen in rupsvoertuigen gaat nog steeds geen civiliserende werking uit. Ook het graven van schuttersputjes vermag de geest van de laag geschoolde niet te vormen. Een vredesmissie in het buitenland heeft zelfs een negatief effect op de morele ontwikkeling. Wie de krijgsmacht als vormingsinstituut wil gebruiken begaat dus een ernstige vergissing. Het is en blijft een plaats waar jongeren niets te zoeken hebben.

In het wereldvredestijdperk bewijst deze oude hippie-wijsheid zichzelf. Nu maar hopen dat ook de politiek er zo over gaat denken.