Het politieke is te persoonlijk geworden

De burger is geen onderdaan meer van een overheid die zich in een sacraal licht tot de samenleving wendt, maar een kritisch-afstandelijk jurylid dat een pretentieuze politieke klasse de maat neemt. A.H.M. Dölle pleit voor een herwaardering van een wat minder persoonlijke en politieke overheid.

De voorstellingen lijken afgelopen, de grote politieke verhalen uitverteld. Zo heeft Fukuyama het geleerd en velen zijn hem daarin gevolgd.

Dwars door alles heen groeit echter een nieuwe, alles doordringende en grotendeels impliciete ideologie waarin de autonome mens, de markt en de media met hoofdletters worden geschreven.

Deze ideologie is niet geïnstitutionaliseerd in een partij met manifesten en congressen. Zij spreekt veel meer uit de feiten en ontwikkelingen die een nieuw groot verhaal vertellen.

De hoofdpersonen zijn niet langer naties, klassen, groepen of verbanden die vervuld van een missie door het politieke landschap trekken. De hoofdpersoon is nu de vrij-kiezende autonome burger zelf. Want ook in de politiek lijkt de burger koning-klant. Van onderdaan, via de citoyen/burger uit de Franse en Amerikaanse Revolutie aan het einde van de 18de eeuw, nu gekroond tot kiezer/koning in de teledemocratie.

De burger raakt, zeker optisch, los uit allerlei groeps-afhankelijkheden. En hij wordt 'door de markt' als soeverein consument begeerd en gediend. De hofmakers willen zijn geld, steun en instemming.

Kwantitatieve voorkeuren sturen uiteindelijk de markt waar de wet van de grote getallen heerst. Het spreekt vanzelf dat in de moderne verzorgingsstaten de burger-consument in politicis opduikt in de gedaante van de kiezer-soeverein. Hier speelt immers eveneens de macht van het getal een indrukwekkende én groeiende rol. De stembus- (of referendum)uitslag, de steeds intensiever en nerveuzer opgespoorde en geanalyseerde cijfers uit opiniepeilingen manifesteren dit gewicht.

Nu de grondhouding van de burgers, van wie bovendien het gemiddelde opleidings- en inkomensniveau, zeker na de Tweede Wereldoorlog, behoorlijk is gestegen, wordt gestempeld door zijn status als consument in een markt met vele aanbieders, moet de in dit verband a-typische overheid veel 'uitleggen'. De oude legitimatiebronnen van de overheid zoals God, het maatschappelijk verdrag en Hegels Realisation der Freiheit zijn opgedroogd. Slechts de leer van de volkssoevereiniteit lijkt nog te resten: het overheidsgezag als emanatie van de volkswil.

Maar deze laatste notie is te abstract om te werken. Dientengevolge moet de overheid zich steeds meer legitimeren door de wijze waarop zij functioneert. Deze optiek wordt geaccentueerd door politici die zwelgen in marktmetaforen. Er wordt een wedstrijd gespeeld met 'the real thing', het bedrijfsleven, die op voorhand verloren lijkt.

Het is daarom niet zo vreemd dat vooral in de ogen van de steeds uitdijende middenklasse deze overheid wordt ervaren als een wat verschoten decor waartegen men zijn leven vorm moet geven. Soms zelfs als een atavisme uit een tijd vol afhankelijkheden die velen als veren lijken te hebben afgeschud. De overheid en de politieke klasse die daarin de toon aangeeft, worden op zijn best als noodzakelijk kwaad geduld - zij worden echter vaker gezien als hinderlijk en contraproductief en op zijn slechts als demonen of uitvoerders van complotten tegen de vrije mens.

De burger is niet langer onderdaan van een overheid die zich in een half-sacraal licht wendt tot de samenleving, maar een kritisch-afstandelijk jurylid dat een pretentieuze politieke klasse de maat neemt.

Maar deze zogeheten 'onttovering' van de overheid kan ook doorslaan, en leiden tot een soort 'staatsverduistering' in het collectieve bewustzijn. Deze komt tot uiting in de personifiëring van de politieke cultuur en zijn zondebok-functie, en in de negatieve uitstraling daarvan op de overheid als fenomeen waarmee 'die politiek' te veel wordt vereenzelvigd.

De fameuze kreet 'het persoonlijke is politiek', die vooral aan de academies en in het actiewezen door radicale babyboomers in de jaren zestig en zeventig werd geslaakt, lijkt hedentendage op ietwat groteske wijze omgedraaid. In de politiek ligt de nadruk op het persoonlijke, 'de poppetjes', het menselijke van dit bedrijf.

Op het eerste gezicht lijkt dit te worden veroorzaakt door de gehekelde, maar onstuitbare werking van de massamedia. Media beïnvloeden en regisseren, in extreme gevallen, het staatkundig bedrijf. Het 'mannetjes-maken' voor het oog van het elektronisch electoraat neemt een steeds hogere vlucht.

Wat zich al in de jaren zestig en zeventig aandiende lijkt allesoverheersend geworden. Het werd toen al vanuit een dubieus dépit 'amerikanisering' genoemd. Het is echter geen imitatie, maar het vormt globaal dezelfde reactie op ontwikkelingen en wijzigingen in de structuur van de samenleving die zich aan de andere zijde van de oceaan gewoonweg eerder voordeden: de revoluties in de technische en communicatieve infrastructuur van de samenleving, de doorzettende arbeidsdeling, de democratisering van onderwijs en cultuur, de flexibilisering van arbeid, de accelererende sociale en geografische mobiliteit, de enorme groei van de consumptie en bovenal het opkomen van een enorme middenklasse (waartoe in de VS doorgaans ongeveer 80 procent van de bevolking wordt gerekend).

In deze betrekkelijk tevreden en welvarende hoofdstroom met die typische individualistische grondhouding heerst een vanzelfsprekende scepsis tegen verbanden en groepen die zich 'imperatief' met de leefwereld van die burgers willen bezighouden. Dat is het structureel-optimistische zelfbeeld van veel burgers uit de brede middenklasse. Karikaturaal gezegd komt het neer op het geloof dat je veel kunt bereiken, vooropgesteld dat je 'er voor wilt gaan' en anderen je niet gemeen tackelen.

In vrijwel iedere serie of film spat dit type optimisme van het scherm. De socioloog Goudsblom sprak zelfs van 'de illusie van volstrekte autonomie'. Er heerst argwaan tegen vakbonden, monopolies, een clerus die geen mondigheid erkent, standen, privileges, traditie, aanspraken vanuit groepen, achterbannen en clubs en dus ook tegen de dwinger bij uitstek, de staat. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat men zich tegen die instituties keert. Menig lid van de middenklasse is een voorbeeldige law abiding staatsburger, kerklid en vrijwilliger. Hij bekent zich daartoe en gaat zélf de groepsafhankelijkheid aan.

Hier - en niet in de media - ligt de belangrijkste drijvende kracht achter de personifiëring van de politiek. De politiek is meer dan ooit afhankelijk van het bereiken van de massa en vooral van de middenklasse. Deze produceert via de stembus en in toenemende mate via opinie-onderzoeken, referenda en volksinitiatieven politieke macht. De politiek moet dus voor de camera. Zij moet daar vechten om aandacht tussen de veel populairdere subculturen van het amusementswezen en de sport. Deze laatste kluisteren wereldwijd miljarden en nationaal miljoenen aan de buis. De oerelementen van (ont-)spanning en competitie verklaren hun aantrekkingskracht. De attentiewaarde van de politiek kan daar als regel niet aan tippen.

Het politiek-publicitaire complex spiegelt zich daarom voor een fors deel aan deze fenomenen en begint van de weersomstuit dezelfde karakteristieken te vertonen. Politiek als 'best wel leuke' competitie waarin veel 'gescoord' moet worden om het kijkcijfer vast te houden of te verbeteren. De personifiëring van de politiek, gecombineerd met een sterk optimistisch zelfbesef, maakt de politiek snel tot wrijfpaal en vervolgens tot zondebok. Onheil en hinder krijgen een lelijk menselijk gezicht. Dat van politici.

In het beeld dat veel burgers van de politiek hebben, verschijnt dit fenomeen vaak als een deux ex machina, in relatie tot zijn individuele situatie: de schade die de burger heeft geleden door de storm, de file waarin hij staat, de klassegrootte van zijn kind, de vandalen op het pleintje, de exportpositie van zijn werkgever, de vieze sloot achter het huis - “De overheid moet daar wat aan doen.” Op macroniveau verschijnt diezelfde overheid daarentegen als een bemoeiallerig heerschap dat wel wat teruggedrongen mag worden. Het verklaart mede de enorme klaagcultuur over het openbaar bestuur.

Politiek is bovendien een randgebeuren voor de meeste mensen die zo'n acht uren slapen en acht uren werken en de resterende tijd voor gezin, kerk, vereniging, en ontspanning nodig hebben. Totdat die politiek plotseling op de stoep staat omdat de subsidie van de volleybalvereniging wordt ingetrokken of omdat straat wordt opengelegd. Dan ontpopt de politiek zich als tegenspeler, soms zelfs als de vijand die nota bene tevens beweert uw dienstwillige dienaar te zijn.

Het is een van de opvallende trekken van het huidige tijdsgewricht dat in de beeldvorming de overheid steeds sterker vereenzelvigd raakt met de politieke subcultuur. De overheid, dat is Wim, Hans, Ennaëus, Frits, Annemarie en Winnie - om enkelen te noemen. De lui die je steeds op de televisie ziet. De overheid wordt als het ware uit de samenleving gekatapulteerd naar de arena waarbinnen de politieke klasse al dan niet aan het Binnenhof haar (voor velen wat vieze) spelletjes speelt. Die mentale verbanning uit het alledaagse leven leidt tot twee misverstanden.

Ten eerste kan de overheid niet gereduceerd worden tot de actueel-momentane bezetting van de politieke ambten. De overheid, dat zijn bijvoorbeeld ook de rechters. Een van de populaire misvattingen is nog steeds de idee dat rechters ergens buiten de overheid zetelen. Maar magistraten zijn bij uitstek overheidspersonen die overheidsrecht uitleggen en handhaven. Verder zijn daar de ministeries en de talloze gemeentelijke provinciale -en andere gedecentraliseerde ambten. Daarnaast is de overheid op een unieke wijze verbonden met - onder meer - de enorme bureaucratieën van politie, leger, buitenlandse dienst.

Bedenkelijker is echter een ander misverstand: de illusie dat de overheid in de marge van de echte samenleving van alledag functioneert. Niets is minder waar. De overheid is in de letterlijke zin van het woord schering en inslag van het maatschappelijk weefsel. Het is niet echt een bedwelmend inzicht dat het leven in wezenlijke mate wordt geconditioneerd door historische en actuele overheidsinterventie. De dijken waarachter Nederlanders wonen, de straten waarop ze gaan, de kwaliteit van het voedsel dat ze eten, het recht waarnaar ze moeten leven, de besteding van het inkomen, het landschap, de scholen, de huizen: letterlijk van de wieg tot het graf is sprake van die beïnvloeding. Actuele politiek gaat in die zin slechts over - soms belangrijke - marges. De overheidsactiviteiten liggen gestold - en vaak niet eens direct meer herkenbaar - in wat is gegroeid en geworden in de samenleving. Een enorme ijsberg onder de zeespiegel van het collectieve bewustzijn.

Dat is een ongemakkelijke vaststelling, omdat deze vloekt met de betrekkelijk a-historische individualistisch-optimistische grondhouding en het zelfbeeld van veel moderne mensen. Maar het is wel waar.

Daarom is het besef dat de overheid een bij uitstek historisch fenomeen is onontbeerlijk. De overheid kan niet gereduceerd worden tot de toevallige actuele personele bezetting van staatsambten. De overheid is geen samenleving die even een ander jasje heeft aangetrokken, maar een project van vele generaties dat met oneindig veel moeite tot stand is gebracht en wordt gehouden.

De vorm waarin overheidsgezag is georganiseerd is, zoals de geschiedenis en ook de toekomst leert, variabel. De kern staat evenwel vast. Thomas Hobbes in sombere tinten negatief geformuleerde omschrijving van die kern is klassiek, al zijn sommige beelden gedateerd: “In such condition [afwezigheid van de overheid], there is no place for industry; because the fruit thereof is uncertain: and consequently no culture of the earth; no navigation, nor use of the commodities that may be imported by sea; no commodious building; no instruments of moving, and removing, such things as require much force; no knowledge of the face of the earth; no account of time; no arts; no letters; no society; and which is worst of all, continual fear, and danger of violent death; and the life of man, solitary, poor, nasty, brutish, and short.”

Men kan het ook wat positiever uitdrukken en de overheid zien als het cultuurmonument dat de beschaving mogelijk maakt. De hoeder van het geweldsmonopolie, de bedeler van recht en orde, de organisator van mechanische solidariteit tussen burgers, de politieke organisatievorm van een natie, de garantie voor een ordelijke en doorgaans vredige ontwikkeling van de samenleving en de hoeder van de individuele vrijheid.

Wanneer die publieke zaak wordt weggerelativeerd of ondergaat in een zee van onverschilligheid en utiliteitsdenken, kan het nieuwe grote verhaal - met eindelijk de mensen in de hoofdrol - een onaangename wending krijgen.

De kwestie hierbij is niet 'meer of minder overheid'. Dat is een vraag die in het politiek-ideologische debat thuishoort zoals dat van uiterst links tot uiterst rechts wordt gevoerd.

Waar het om gaat is de notie dat in veel opzichten de staat het dak is op het huis van de gemeenschap. Het dak stort in wanneer het wordt verwaarloosd. Dat is het geval wanneer de overheid, haar organen en ambten nog slechts worden gezien als instrumenten die in een particuliere of groepsstrategie optimaal moeten worden aangewend.

Hoe gek het wellicht ook klinkt: een staat moet ook emotie zijn. Ingehouden maar levende emotie, weerspiegeld in een esprit de corps van ambtenaren, in het bewustzijn van politici om naast belangenbehartiger ook ambtsdrager te zijn, in de beroepstrots van de staande en zittende magistratuur, maar bovenal in de samenleving die zichzelf niet slechts als klant maar ook als associatie van staatsburgers ziet. Mensen zullen doordrongen moeten blijven van het niet-persoonlijke, het historische, het buiten-maatschappelijke en de niet-politieke kanten van de overheid.

Waar staten kapseizen of verkeren in krachteloze of juist gewelddadige instrumenten is zulks slechts mogelijk wanneer mensen dat toestaan. Het lijkt tegen de tijdgeest maar het blijft een opgave die bij uitstek wordt gesteld aan de politieke klasse die voor het voortbestaan van dit onmisbare voertuig van de beschaving een bijzondere verantwoordelijkheid draagt.

In de staatkunde lijkt de nautische metafoor bijna onverwoestbaar. Zij past ook hier. Naast alle strijd om de bezetting van de stuurhut en de koers van het schip en de behartiging van de belangen van delen van de passagiers ligt er voor de bemanning één, alles overstijgende gezamenlijke taak: zorgen dat het schip intact blijft.