Het drugskartel van Desi Bouterse; Ook ik werk voor de baas

Een expositie moet er komen in Paramaribo waarin het drugsdossier over ex-legerleider Bouterse aan het hele Surinaamse volk wordt getoond. Die manifestatie kondigde de hoofdverdachte vorige maand aan. Belangrijkste onderdeel van de tot nader order uitgestelde tentoonstelling zullen ongetwijfeld de anonieme verklaringen vormen over de infrastructuur van het Suri-kartel. Een voorbeschouwing.

Over hoe je 'jonge pompoenen' of vijftig centimeter lange, verse anjoemaravissen prepareert om ze onzichtbaar vol te proppen met cocaïne, over hoe je een cocaïnelaboratorium draaiende houdt en bewaakt, over doodseskaders die onwillige getuigen uit de weg ruimen en over hoe de grote drugstransporten jarenlang ongezien naar Nederland gingen. Het is maar een selectie uit de uitputtende verklaringen die een achttal Surinamers tegenover de Haagse rechter-commissaris G.C. Haverkate hebben afgelegd.

Vanaf juni 1994 heeft deze onderzoeksrechter die belast was met het onderzoek naar het Surinaamse drugskartel en de vermeende criminele leider, ex-bevelhebber Desi Bouterse, deze verklaringen laten verbaliseren. Ze vormen een van de belangrijkste bewijsmiddelen. Omdat de getuigen volgens de rechter-commissaris terecht vrezen voor hun leven, hebben ze de status van bedreigde getuige gekregen. Ze zitten als anonieme, zogeheten NN-getuigen, in de dertig politiedossiers.

Toch is de meest belastende verklaring curieus genoeg afgelegd door een 35-jarige, sinds 1990 in Rotterdam wonende Surinamer, die met naam en toenaam en zelfs met adres in het CoPa-dossier (een afkorting van Colombia-Paramaribo, red.) wordt opgevoerd. Op 2 juni 1994 heeft deze 'Rotterdammer' op het kabinet van de Haagse rechter-commissaris verteld hoe hij als militair betrokken raakte bij drugssmokkel.

Zijn verhaal begint in 1980 als hij samen met dertien indianen door majoor Hawker wordt opgeleid om een 'elite-peloton' te vormen. Na een cursus van drieëneenhalve maand worden ze overgedragen aan Bouterse die dankzij een staatsgreep sinds enkele maanden de absolute macht heeft in de republiek Suriname. De leden van het peloton moeten in groepjes van vier of twee personen de straat op om te achterhalen hoe de bevolking over de 'revolutie' denkt. Met in de borstzak verborgen opname-apparaatjes registreren de militairen gesprekken om eventuele subversieve elementen te kunnen ontmaskeren.

Vijf jaar lang werkt de 'Rotterdammer' als geheim agent voor Bouterse als het peloton op een najaarsdag bij de bevelhebber wordt geroepen. Uit dank voor de betoonde loyaliteit krijgen ze een nieuwe, riskantere opdracht. De militairen worden nog dezelfde dag door Bouterse in een tien uur durende autorit naar het westen van Suriname gebracht. Daar moeten ze een cocaïnelaboratorium bewaken dat zich bevindt in de buurt van de dorpen Tibiti, Wasjabo en Apoera.

Het laboratorium ligt op een plek waar volgens de getuige in het verleden de bouw van een grote stad was gepland. Er is al een rijbaan voor autoverkeer, een strook asfalt die nu dienst doet als start- en landingsbaan voor Twin Otters die vanuit Brazilië, Bolivia en Colombia gemiddeld twee à vier keer per week aanvliegen.

De vliegtuigen zijn speciaal geprepareerd voor het vervoer van cocaïnepasta. Er bevindt zich een kuip aan boord waarin, zo vertelt de getuige, puddingachtige, vochtige blokken zitten met een afmeting van 5x25x35 centimeter. De substantie wordt overgeladen in een kuip die naar het laboratorium wordt gebracht. Daar ondergaat de pasta een chemische behandeling, waarbij hij in poeder wordt omgezet.

De getuige weet het allemaal precies omdat hij zelf betrokken is bij de bewerking en het transport. Handelingen die regelmatig worden gadegeslagen door onder anderen Bouterse. Hij betaalt zijn militairen ook persoonlijk maandelijks bedragen uit variërend van 2.000 dollar tot 50.000 Surinaamse guldens.

De poeder wordt verpakt in pakjes van een kilo die in kaftpapier of heel dun plastic worden gewikkeld. De pakketjes worden gestopt in grote legerplunje-balen die met pantserauto's worden vervoerd naar een plek die ligt halverwege tussen het laboratorium en de hoofdstad Paramaribo.

Het verdere transport onttrekt zich aan het zicht van deze 'Rotterdammer'. De finale distributie wordt verricht door Bouterse-getrouwe, hoge militairen zoals Marcel Zeeuw, Roy Essayas en Ruben Rozendaal. Het laatste dat deze getuige ziet, is dat de militairen de cocaïne stoppen in bruine reiszakken met het opschrift: ambassade van Suriname in Nederland.

Ruige handel

Een drukke dagtaak moet Desi Bouterse vanaf halverwege de jaren tachtig hebben gehad aan het runnen van het Surinaamse drugskartel. Er zijn maar weinig criminele handelingen waarop Bouterse niet op de een of andere manier toezicht houdt, zo blijkt uit lezing van alle getuigenverklaringen. Al moet gezegd worden dat de voormalige legerleider en nu Adviseur van Staat door de jaren heen een reuze hulp heeft gehad van het bijna voltallige Surinaamse machtsapparaat.

Een hele reeks invloedrijke Surinamers worden in de verklaringen als handlanger genoemd, zoals in oktober ook al door een verontwaardigde ex-minister van Buitenlandse Zaken en vaste jogging-partner van Bouterse, Henk Herrenberg, in Suriname is bekendgemaakt. Ook hij wordt omschreven als criminele bondgenoot.

In de Surinaamse krijgsmacht was in de jaren tachtig niet veel te beleven. Daarom storten veel militairen zich op de lucratieve drugshandel, vertelt een getuige. Niet dat Bouterse persoonlijk alle transporten regelt. Hij geeft concessies aan vertrouwelingen om zelf ladingen drugs te betrekken uit Colombia en Brazilië om naar Europa te smokkelen. In die gevallen neemt de legerleider genoegen met een commissie van veertig procent van de opbrengst.

Twee mannen die onder het bewind van Bouterse een guerrillabeweging hebben geleid, worden door getuigen genoemd als mannen die met toestemming van Bouterse in bepaalde delen van het binnenland in drugs mochten handelen. Indianenleider Thomas en de aanvoerder van de bosnegers, Ronnie Brunswijk - tegen wie ook een internationaal arrestatiebevel loopt - hebben volgens getuigen een drugsconcessie van Bouterse gekregen.

Dat het om ruige handel gaat, blijkt uit het verhaal van een getuige over Brunswijk. In 1990 moet Brunswijk een afspraak hebben geschonden door er vandoor te gaan met een partij van ruim duizend kilo cocaïne die door Colombianen was geleverd voor Surinaamse militairen. Uit woede tippen de militairen de burgerpolitie over het drugstransport waarna inbeslagname volgt in Moengo, de thuisbasis van Brunswijk. Uiteindelijk moet alsnog een deel van de geconfisqueerde partij naar het huis van Bouterse in Leonsberg zijn gegaan. Twee lijfwachten van Brunswijk werden destijds doodgeschoten.

Meer discreet opereert de zakenman Richard L. die voor Bouterse de grote partijen vervoert. Deze vermogende zakenman, volgens justitie lid van de vijfkoppige Raad van Bestuur van het Surinaamse drugskartel, leidt een betrekkelijk anoniem bestaan in Paramaribo. Uit veiligheidsoverwegingen werkt hij ook alleen samen met Brazilianen.

Die Zuid-Amerikanen bemannen ook de schoeners waarmee L. cocaïne laat aanvoeren uit Brazilië. De schepen worden, conform afspraken, volledig ongemoeid gelaten door de Surinaamse marine en douane. Het vervoer gaat via Suriname per boot naar Haïti, waar de drugs worden overgeladen in Ghanese schepen die zeep vervoerden naar Haïti. De Ghanese connectie floreert dankzij de hartelijke betrekkingen die Bouterse onderhoudt met de militaire leider van Ghana, Jerry Rawlings. Een getuige vertelt over een uitbundig feest eind jaren tachtig in de woning van Bouterse waar de voltallige Surinaamse legertop met Rawlings en Richard L. de bloemetjes buiten zetten.

Behalve in het uiterste westen van Suriname moet er volgens de getuigen in ieder geval ook in het binnenland, bij de Tafelberg, een goedlopend cocaïnelaboratorium hebben gestaan. Een anonieme militair, die Bouterse in de jaren tachtig “overal vergezelde”, heeft de rechter-commissaris verteld hoe hij samen met Bouterse per vliegtuig begin jaren tachtig al cocaïne ophaalde bij het lab.

Het was er een komen en gaan van Surinaamse notabelen. Tot de bezoekers van het laboratorium behoorden volgens de getuigen onder anderen de huidige president Jules Wijdenbosch, de toenmalige minister van Natuurlijke Hulpbronnen Eric Tjon-Kie-Sim en voormalige bevelhebber Arti Goree. Zij zijn volgens de getuige betrokken geweest bij het transport van drugs naar het militaire vliegveld Zorg en Hoop. De cocaïne werd aangeduid met de codenaam Cynthia, andere codenamen die getuigen noemen zijn Lai (Surinaams woord voor munitie) en soekroe (suiker).

Kwie-kwie-visjes

Dat het de Nederlandse douaniers en speurhonden niet gemakkelijk wordt gemaakt drugstransporten te onderscheppen, blijkt uit talrijke verklaringen. Smokkelaars tonen zich zeer vernuftig bij het verpakken van contrabande. Groenten-exporteur D. moet Bouterse op een goede dag in het bijzijn van een anonieme getuige een demonstratie hebben gegeven over het verstoppen van cocaïne in jonge kolen en pompoenen. De vruchten konden worden gevuld met een pond samengeperste drugs waarna ze gewoon verder groeiden. De littekens heelden.

Verscheidene getuigen vertellen over het uithollen van boomstammen die, gevuld met cocaïne, jarenlang naar Europa zijn vervoerd. Ook de export van kwie-kwievisjes en garnalen is aangewend voor drugssmokkel. In 1987 was een getuige aanwezig toen Bouterse samen met een andere hoofdverdachte, bankdirecteur Henk Goedschalk, een rondleiding kreeg op een visverwerkingsbedrijf.

De visboer liet zien hoe je de vis anjoemara opensnijdt, de ingewanden verwijdert en er een plastic cocon van 20 bij 3 centimeter vol cocaïne in kunt verstoppen. Als de vis in een snelvriesinrichting wordt ingevroren, blijkt niet meer te zien te zijn dat hij is bewerkt. Bouterse toonde zich volgens de getuige onder de indruk van zoveel vakmanschap.

Bouterse moet schatten geld hebben verdiend aan de drugshandel. Een anonieme getuige, die volgens een omschrijving van de rechter-commissaris, regelmatig voor zijn werk in de woning van Bouterse kwam, vertelt zeer grote bedragen aan cash geld in vreemde valuta te hebben gezien in diens villa in Leonsberg. Het moet omgerekend om honderdduizenden guldens zijn gegaan. Deze getuige vertelt ook zo'n 150 dozen met drugs te hebben gezien in de kelder van een pand van Bouterse in Domburg.

Het leeuwendeel van de drugsopbrengsten is volgens justitie gestald op buitenlandse bankrekeningen die door vrienden van Bouterse worden beheerd. De regionale criminele inlichtingendienst Haaglanden dicht een belangrijke rol toe aan Roy Kolader die eind jaren tachtig en begin jaren negentig consul-generaal was van Suriname in Amsterdam. Deze 'rechterhand' van Bouterse beheerde een rekening in Amsterdam bij ABN/Amro.

Bouterse heeft ook financiële hulp gehad van Surinaamse zakenlui in Nederland. Hindostaanse middenstanders in Rotterdam regelen het witwassen. De Surinamer Z. in Den Bosch doet veelvuldig zaken voor Bouterse. Zijn Brabantse telefoon is door de politie afgetapt terwijl hij besprekingen voert met Desi. Tegenover een anonieme getuige presenteerde Z. zich met de woorden. “Mi e wroko ki basi”, dat wil zeggen: Ook ik werk voor de baas.

Doodseskader

Het Surinaamse cocaïnekartel is volgens een anonieme getuige die zich naar eigen zeggen “heeft bewogen in het drugsmilieu”, sterk hiërarchisch georganiseerd. Onbetwiste leider is Desi Bouterse die zijn invloed als het moet onverschrokken doet gelden. De stelregel die de Adviseur van Staat hanteert als mensen zijn gezag tarten, luidt volgens een getuige: als een geplante boom krom groeit, moet je hem omhakken.

Voor die klus beschikt Bouterse volgens verscheidene verklaringen over een eigen 'doodseskader' dat wordt geleid door hooggeplaatste militairen die voor een deel nu nog actief zijn in de inlichtingendienst die ressorteert onder president Wijdenbosch. Uit een optelsom die valt te maken na lezing van de getuigenverklaringen, blijkt dat dit doodseskader minimaal twintig personen heeft omgebracht die het volgens Bouterse niet zo nauw namen met de spelregels van de cocaïnehandel.

Een getuige vertelt een verhaal dat nieuw licht werpt op de moord, in augustus 1990, op de Surinaamse politie-inspecteur Herman Gooding. De zaak is nooit opgehelderd. Vast staat alleen dat Gooding - die een onkreukbare reputatie genoot - is doodgeschoten nadat hij een gesprek had gevoerd op het hoofdkwartier van de militaire politie in Fort Zeelandia. Na zijn vertrek werd hij door onbekende militairen uit de auto gesleurd en verscheidene malen door het hoofd geschoten. Het vermoeden was steeds dat de moord te maken had met een verschil van mening over de bevoegdheden tussen militaire en civiele politie.

Een anonieme getuige “die jaren in de nabijheid van Bouterse heeft gewerkt” vertelde rechter-commissaris Haverkate dat Gooding in 1989 een lading cocaïne had onderschept. Die lading was door Colombianen afgezet met een Twin Otter op de weg naar Apoera, een gebied dat destijds verboden terrein was voor de civiele politie. Gooding heeft de drugs evenwel laten onderscheppen en in beslag genomen.

De actie zette zoveel kwaad bloed dat Bouterse een 'spoedberaad' organiseerde met naaste medewerkers. Er volgde een vergadering met de commandanten, Tjin-A-Kwoei, Linscheer en Christopher, het hoofd van de militaire politie Zeeuw, Goedschalk, Herrenberg, twee lijfwachten en de politiechef van de narcoticabrigade Jansen. Na het overleg is een delegatie vertrokken naar het politiebureau Nieuwe Haven. Daar opende Jansen de deur waar de door Gooding geconfisqueerde drugs lagen opgeslagen. Drie balen met elk honderd kilo cocaïne zijn vervolgens aan de eigenaren teruggegeven. Bouterse heeft de betrokkenen volgens de getuige gecomplimenteerd met de kordate actie.

Ook in de verklaring van de 'Rotterdammer' blijkt dat het drugskartel weinig zachtzinnig omgaat met onbetrouwbare medewerkers. Negen maanden lang bewaakt hij met zijn peloton het cocaïnelaboratorium in het westen van Suriname. Hun werk raakt in opspraak als plotseling drie Colombiaanse handlangers de benen nemen. Bouterse schrikt van deze desertie en eist dat de Colombianen om het leven worden gebracht omdat ze te veel weten. De militaire bewakers weigeren die opdracht waarna volgens de getuige Roy Tolud, een van de zestien onderofficieren die met Bouterse in 1980 de coup pleegde, de moordklus klaart.

Vervolgens richt het ongenoegen zich op de laboratoriumbewakers die immers geweigerd hebben zich naar het bevoegde gezag te schikken. De 'Rotterdammer' neemt de benen. Geen overdreven reactie want de getuige heeft de rechter-commissaris verteld dat de dertien indianen met wie hij samenwerkte, allemaal om het leven zijn gebracht.

De weggelopen getuige houdt zich vervolgens vier jaar lang schuil in de woning van zijn zwager die in de bossen bij Paramaribo woont. In 1990 weet hij met hulp van vrienden naar Nederland te vluchten. Zijn zwager, zo beëindigt deze getuige zijn verklaring, is korte tijd later vermoord.