Het deflatiespook

Terwijl in Nederland de afgelopen maanden voorzichtig werd gewaarschuwd voor het gevaar van oplopende inflatie, klinken er nu waarschuwingen dat de wereld aan de vooravond staat van een periode van deflatie.

Geen stijgende prijzen, maar dalende prijzen, geen oververhitting maar onderbesteding, geen vraag die groter is dan het aanbod, maar een aanbod dat de vraag overtreft. Daarmee doemt het spookbeeld op van een spiraal van economische krimp, werkloosheid en een depressie. Kortom, de archiefbeelden van de jaren dertig.

De Kassandra's van de deflatietheorie bevonden zich tot voor kort uitsluitend in de Verenigde Staten. Een kleine groep opiniemakers daar is van mening dat het mondiale kapitalisme gezorgd heeft voor een situatie van permanent overaanbod van steeds goedkopere goederen. Hierop volgen twee aanbevelingen: de afscherming van de Amerikaanse markt tegen de import van goedkope goederen uit (met name) het Verre Oosten en de versoepeling van het monetaire beleid van de Federal Reserve, het stelsel van Amerikaanse centrale banken, ter bevordering van de binnenlandse vraag.

De opvattingen van deze doemdenkers werden nauwelijks serieus genomen. Totdat de afgelopen weken de Aziatische crisis uit de hand dreigde te lopen. Zeker met Zuid-Korea als jongste slachtoffer van de financiële crisis, en met het bankroet van enkele banken en een groot effectenhuis in Japan.

De economie van Zuid-Korea is anderhalf keer zo groot als die van Nederland, Het land is een agressieve exporteur van industrieproducten. De devaluatie van de won heeft tot gevolg dat Zuid-Koreaanse auto's, televisies, geheugenchips, video-recorders en andere producten voor dumpprijzen in de VS en Europa kunnen worden aangeboden. Dat zet de prijzen van Amerikaanse en Europese fabrikanten van auto's en electronica onder druk.

Aan de andere kant hebben Westerse exporteurs van kapitaalgoederen of van infrastructurele projecten plotseling te kampen met het wegvallen van de Aziatische vraag. Door de afgedwongen bezuinigingen zijn investeringsprojecten op de lange baan geschoven. Dat betekent minder stuwdammen, minder zware machines, minder vliegtuigen. In Amerika werd onmiddellijk alarm geslagen over de miljoenen banen die bedreigd worden. De Europese Unie hield ondertussen haar werkgelegenheidsconferentie.

Zoveel is zeker, door de Aziatische crisis doet zich in de reële economie van goederen en diensten wereldwijd een daling van de vraag en een druk op de prijzen voor. Niet voor niets stonden de afgelopen weken de aandelenkoersen van bijvoorbeeld ABB (turbines), Philips (elektronica), Intel (chips) en high tech fondsen het meest onder druk.

Daarbij komen de indirecte gevolgen van de financiële crisis. Azië heeft te maken met de effecten van een doorgeprikte 'luchtbel'-economie. Aan een lange periode van overgewaardeerde wisselkoersen, uit de hand gelopen onroerend-goedprijzen, wankele bankleningen, gebrek aan toezicht en explosief gestegen beurskoersen is hardhandig een einde gekomen. Deze lokale deflatie van de financiële waarden trekt niet alleen de bestedingen in de getroffen landen omlaag - plotseling is iedereen armer - maar kan overslaan naar andere landen via internationale banken die stroppen lijden omdat ze aan de Aziatische landen hebben geleend.

Japan is hiervoor uitzonderlijk vatbaar, omdat het zelf in 1990 zijn luchtbel-economie zag leeglopen en er sindsdien niet in is geslaagd om het nodige vertrouwen te herstellen. Al zeven jaar is de Japanse economie bewegingloos. Consumenten besteden niet, er wordt niet geleend of geïnvesteerd in Japan, hoewel de centrale bank de rente nagenoeg naar nul heeft teruggeschroefd. De financiële sector heeft nog stapels 'slechte' leningen in zijn boeken staan, de erfenis van de jaren tachtig. Er moeten dus nog meer instelingen bankroet gaan, of de overheid moet de niet-invorderbare leningen van de banken opkopen, voordat de vooruitzichten beter worden.

En dan de internationale transmissie. Een financiële ineenstorting in Japan kan leiden tot de verkoop van buitenlandse aandelen- of obligatiepaketten omdat Japanse instellingen dringend geld nodig hebben om hun verliezen in eigen land af te dekken. Japanse institutionele beleggers en de Japanse centrale bank hebben bijvoorbeeld zo'n 300 miljard dollar aan Amerikaanse staatsleningen in portefeuille, vijf procent van de totale Amerikaanse staatsschuld. Als ze gedwongen zouden worden die allemaal te dumpen, kelderen de obligatiekoersen, schiet de rente omhoog en is de paniek compleet.

Nu zal dat om allerlei redenen niet gauw gebeuren, maar de gedachte alleen al was genoeg om de Amerikaanse en Europese beurzen de afgelopen week opnieuw onder druk te zetten. Op die manier wordt de Aziatische deflatie getransponeerd naar andere financiële markten.

Dit alles heeft de roep om de beschikbaarheid van internationale liquiditeit voor noodgevallen actueel gemaakt. Het Internationale Monetaire Fonds is in 1944 opgericht om een wereldwijde herhaling van de spiraal van deflatie uit de jaren dertig te voorkomen. Toen ontbraken dergelijke internationale mechanismes. Nu is zo'n internationaal vangnet beschikbaar om probleemlanden te hulp te kunnen komen - zie de leningen aan Thailand, Indonesië en binnenkort Zuid-Korea. Het grootste probleemland, Japan, heeft geen geld nodig, want daarover beschikt het in overvloed, het wordt alleen verkeerd gebruikt. Goed economisch beleid is helaas niet afdwingbaar.

    • Roel Janssen