Hartdefibrillator wordt al gauw te snel geïmplanteerd

Ernstige hartritmestoornissen kunnen een snelle dood veroorzaken. Driekwart van die sterfgevallen is te voorkomen door de ongecoördineerd bewegende hartspier weer in het gareel te brengen met een defibrillator. Het hart wordt dan korte tijd binnen een sterk elektrisch veld gebracht. Voldoende lang om wilde elektrische stromen in de zenuwcellen die het hart doen samentrekken te onderbreken. Daarna nemen vaak de lichaamseigen elektrische prikkels die de hartspiercellen eensgezind laten werken de controle weer over.

De bekendste defibrillator bestaat uit twee forse noppen, in tv-series met een breed gebaar op de borstkas van het bewegingloze slachtoffer geplaatst. Maar er bestaan ook implanteerbare defibrillatoren, van bescheidener formaat. Het zijn een soort pacemakers die in de gaten houden of het hart regelmatig klopt. Begint de hartspier te fladderen, dan wordt een stroomstoot uitgedeeld die het hartspier weer op orde probeert te krijgen.

De vraag is bij wie zo'n apparaatje moet worden geïmplanteerd. Tien jaar geleden bleef het gebruik nog beperkt tot mensen die een ernstige ritmestoornis na reanimatie hadden overleefd. Van hen was bekend dat ze 45 procent kans hadden om binnen twee jaar te overlijden aan een nieuwe ritmestoornis. Het gebruik breidde zich echter uit tot hartpatiënten met onduidelijker risicofactoren voor ritmestoornissen.

Twee vergelijkende studies laten nu zien of gebruik zinvol is (The New England Journal of Medicine, 27 nov). In het eerste onderzoek (de Amerikaanse CABG Patch Trial) werden mensen die voor een by-pass-operatie kwamen en veronderstelde risicofactoren voor hartritmestoornissen hadden door het lot ingedeeld in een groep waarbij ook een hartdefibrillator werd geïmplanteerd of een groep die alleen de nodige by-passes kreeg. De patiënten werden 1,5 tot 4 jaar gevolgd. In de groep met defibrillator overleden van de 446 patiënten er 101. In de groep met alleen by-passes overleden 95 van de 454 mensen. De dood door hartziekten was vrijwel gelijk: 71 in de defibrillatorgroep, 72 in de controlegroep. De uit voorzorg geïmplanteerde defibrillator heeft in deze patiënten dus geen effect op de overleving.

Anders verging het de patiënten in de AVID-trial (Antiarrhythmics Versus Implantable Defibrillators). Zij waren kandidaat voor de studie als ze een reanimatie na bijna-fataal hartkamerfibrilleren hadden overleefd. Er werd een groep patiënten geloot die een defibrillator kreeg geïmplanteerd en een groep die medicijnen tegen ritmestoornissen kreeg. Na drie jaar was 75% van de geïmplanteerden nog in leven, tegen 64% van de medicijnslikkers. Beide onderzoeken werden trouwens voortijdig gestopt wegens duidelijke resultaten.