Duizend regels als we gepakt worden

Je bent blij hè? Ik vind het heel leuk voor je. Ik zag alles gisteren. De zinnen staan op een blaadje dat uit een schrift gescheurd is en toen tot een briefje werd, het soort dat de meisjes van deze klas, 2 mavo, (altijd de meisjes) elkaar stiekem schrijven en op een veilig moment toewerpen.

Dit is Kees Beekmans' laatste stuk over de leerlingen van een 'zwarte school' in de Amsterdamse Pijp. Enkele stukken die hij de afgelopen drie jaar voor de Achterpagina schreef, zijn gebundeld. Kees Beekmans, 'Een man is erg vrek', uitgeverij De Bezige Bij, 127 p., prijs: ƒ 24,50 (ISBN 9023435311)

Maar veilig is het moment nooit. Zo was dit briefje - van Aija aan Fatima - geen lang leven beschoren. Al bij de eerste vlucht werd ik het gewaar - wat eigenlijk iets spijtigs heeft. Liever ware het mij geweest het briefje twee, drie vluchten later te onderscheppen. De suggestieve kracht is wat de briefjes zo aantrekkelijk maakt - maar het raadsel moet niet al te groot zijn. Er zijn, eerlijk is eerlijk, maar weinig briefjes die ik onderschep op het kritieke moment - wanneer het juist zoveel openbaart als het verhult. Van de wereld der half vernederlandste, veertien-, vijftienjarige moslimmeisjes.

Ik ben afhankelijk van onhandig manoeuvreren. Soms zie ik ze vliegen, soms komen ze wat ongelukkig terecht en vallen ze op de grond, moeten ze opgeraapt worden. Meestal is dat het, het oprapen, wat ik zie. Dan loop ik naar Aija toe, die het nog snel tussen de bladzijden van boek, schrift of agenda probeert te schuiven.

“Geef maar, Aija.”

“Wat meester?”

“Het briefje.”

“Ik doe het weg meester, we doen het niet meer.”

“Te laat Aija. Geef maar aan mij.”

“Het is privé meester.”

“Dat weet ik Aija. Maar geef het nu, dan kun je weer met de les meedoen.”

“Ah meester asjeblieft, het was de laatste keer.”

Haar stem is aangenaam, zacht. En Aija kan onschuldig kijken. Ze is Turks, de huid van haar gezicht is blank, haar ogen zijn blauw, haar hoofddoek is zwart, haar blouse zwart, haar lange, wijde rok ook zwart. Vorig jaar had ik haar zus in de klas, de twee jaar oudere Nurçan, die ook altijd een hoofddoek droeg, een vlijtig meisje, zo stil dat ik haar gemakkelijk over het hoofd zag. Aija is anders. Ze scheldt - met die aangename stem - de jongens van haar klas uit voor 'kankerflikker' en als ik haar eens naast Fatima, uit Marokko, ook in het zwart, laat zitten, kletst ze onophoudelijk, de hele les lang - afgaande op haar briefjes over jongens van andere, hogere klassen. Soms zet ik Aija aan mijn tafel, om aan het kletsen een einde te maken. Dan gaat ze raar blazen en geluiden maken die lijken op winden.

“Waarom maak jij voortdurend van die vreemde geluiden Aija?”

“Ik moet die geluiden maken meester, ik kan er niets aan doen.”

Ze is de engel des onschulds - zo gedwee die stem, die oogopslag, de trekken van dat blanke gelaat.

“Misschien moet jij vanmiddag na school hier nog maar een paar uur blijven zitten, Aija, om dan die geluiden te maken.”

Dat is afdoende. Zet ik Aija elders in de klas, ver van mij en ver van Fatima, dan worden briefjes geschreven.

Ik sta nog steeds naast Aija, mijn rechterhand geopend, en verhef mijn stem: “Nu snel dat briefje, anders kost het me nog de hele les ook!”

Ze geeft het me. Ik steek het in mijn zak.

“Krijg ik het nog terug meester?”

“Nee Aija.”

Een van de jongens lacht smadelijk. Met een ruk draait Aija zich om: “Houd je kop teringfikker!”

“Aija, Aija”, sus ik, “zoiets zegt een meisje toch niet.”

En Aija, zo gedwee weer, de engel: “Een meisje is toch ook een mens, meester.”

De rage van het briefjesschrijven is in volle hevigheid losgebarsten. Onlangs was mijn buit van één les maar liefst vijf briefjes. Natuurlijk krijgen ze ze niet terug, niet alleen omdat ik ze zelf graag houd, de straf moet ook een beetje pijn doen om op straf te lijken.

Fatima wat ben je aan het doen? schrijft Mounia, en Fatima antwoordt: Aan het werk he. Zoals gewoonlijk. Mounia weer: Tzzzz. Ik bedoel de brief aan Mihra. Fatima: O zeg dat dan. Aija wil me iets schrijven dus ik gaf haar een blaadje en Mihra bezorgde het blaadje bij Aija.

Daar zag Mounia eerder dan ik wat er in de klas gebeurde - de normale gang van zaken. Het bedoelde briefje tussen Fatima en Aija onderschepte ik ook, en, gelukkig, pas laat. Aija schreef: De sukkel zegt dat hij het niet meende van gisteren, hij zegt sorry. Maar ik zei dat ik het hem nooit zou vergeven. Hij wil in de pauze met me praten. Wat moet ik doen?

Fatima: Niet doen! Zeg tegen hem je bent verleden tijd!

Aija: Je moet in de pauze op me wachten, het duurt niet lang okee? Ik ga voor de deur van het lokaal praten, het duurt echt niet lang.

Fatima: Ja ja je moer, ik laat me pauze niet door twee ettertjes verpesten.

Twéé ettertjes... Raadselachtig. Aija, ten slotte, want langer werd het briefje niet: Ik ga zeggen: ik wil niet naar jou domme dingen luisteren want het slaat toch nergens op, je bent verleden tijd, laat me met rust, sukkel, flikker!

Had de sukkel maar niet met Aija moeten sollen.

Hoe gaat het kut? Briefjes schrijven is gevaarlijk man. Als we gepakt worden moeten we 1000 regels schrijven. Kijk uit als je gooit.

Het doet me goed te lezen dat de meisjes, kennelijk, echt bang zijn voor die 1000 regels - voor mij toch meer een verwijzing naar Billie Turf dan een werkelijk dreigement. Maar dat kunnen de leerlingen natuurlijk niet weten. Wat ze wel weten, donders goed, is dat ik een dergelijke straf maar zelden opleg. “Kom aan het eind van de les bij me”, zeg ik meestal, maar ze komen nooit spontaan en ik doe alsof ik het vergeten ben. Het houdt de stroom gaande.