De esthetiek van Joop Schafthuizen, alias Matroos Vosch; 'Ik ben geen pederast, maar gewoon een geweldige estheet'

'Hoe grotere dorpsgek, hoe dichter bij de erkende Reviaan.' Maar intussen hoopt Joop Schafthuizen - levensgezel en liefdesbroer van schrijver Gerard Reve - op een heleboel van die dorpsgekken als hij volgende week zijn boekencollectie laat veilen. 'Aan de ouwe T-shirts en sokken van Gerard zou je eigenlijk meer waarde moeten hechten. Die dingen heeft hij tien, vijftien jaar gedragen.'

'Gerard Reve, De complete afzonderlijk gepubliceerde werken in handelsedities en bibliofiele uitgaven uit de collectie Joop Schafthuizen', Veiling 2 december 1997, 19.00 uur; kijkdagen 29 november t/m 1 december, Bubb Kuyper, Jansweg 39, 2011 KM Haarlem, 023-5323986

Deze zomer ben ik er psychisch en lichamelijk heel vervelend aan toe geweest. Ik verwaarloosde mezelf, at slecht en had complete straatvrees, mensenvrees, pijn... Ik zag mezelf als compleet overbodig. Dronk heel veel alcohol, om in een bijna-bewusteloosheid te verkeren. Ik heb een week in het ziekenhuis gelegen, voor de juiste afstemming van de medicatie. Omdat ik zo'n ijskonijn ben, moest dat vrij pittig zijn. Bovendien heb ik het een en ander gebruikt in mijn leven, dus voor veel dingen ben ik compleet immuun. Ik kan een handvol pillen nemen en dan weet ik nog niet of het een slaapmiddel of een oppepper is.

“Door veel te praten met een team van psychiaters heb ik een soort eigenwaarde teruggekregen, in die zin dat ik niet dood wil. Terwijl ik een goed jaar geleden dacht: wat zou het fantastisch zijn als het ineens op zou houden. Dan is alles oké, iedereen gelukkig. Gerard is echt een ontzettend goeie gozer voor me, die alles voor mij over heeft, maar door zijn obsessie voor het drama en zijn excentrieke decadentie, had hij niet door hoever ik wegzakte.”

Joop Schafthuizen (49) alias Matroos Vosch, sinds zijn 27ste levensgezel van Gerard Reve, kijkt terug op een bewogen jaar. Nadat eind vorig jaar het manuscript van De avonden voor 160.000 gulden van de hand ging en in het voorjaar Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 verscheen, raakte hij in een diepe depressie. Medicijnen en psychiaters van het academisch ziekenhuis te Antwerpen hielpen hem er weer bovenop. Dinsdag heeft een veiling plaats van een 245 stuks omvattende, complete collectie eerste drukken, speciale edities en bibliofiele uitgaven van het werk van Gerard Reve - alle voorzien van een persoonlijke opdracht van de schrijver ('Met veel geile gevoelens', 'Voor liefdesbroer Joop', 'Mijn liefdesslaaf', enz.) aan zijn vriend. In de serre van villa De Posthoorn in Machelen (België) wacht een 150 stuks omvattende verzameling etnografica op een openbare verkoop. Van de opbrengst van de veilingen hoopt Schafthuizen zijn collectie 17de eeuwse kunst uit te breiden. In dit Reve-jubileumjaar (50 jaar De avonden) heeft Matroos Vosch het drukker dan ooit met de auteursrechtelijke bescherming van het werk van zijn vriend, waaruit voor de talrijke gelegenheidsuitgaven wordt geciteerd.

“Mensen zien een aanleiding en maken eventjes een boekie. Het is niet professioneel, allemaal flauwekuldingen, niemendalletjes. Als je zoiets doet, moet je het serieus, met hartstocht doen. Uit teksten publiceren moet in overleg met de auteur, dat is een normale zaak. En dat wordt dus niet gedaan. Dat vind ik wrang. Ik moet ook oppassen dat ik me er niet tezeer aan vastklamp, dat ik het óók zie als gratis reclame.”

Een paar dagen geleden kreeg Schafthuizen Rondom Reve onder ogen, herinneringen van Guus van Bladel aan de vijf jaar dat deze met de schrijver een woning in Weert deelde. “Dat is echt helemaal niets, één grote zeepbel, beschamend dat het wordt uitgegeven en door de boekhandel wordt verkocht. Guus van Bladel vertelt in dat schoolopstelletje dingen die absoluut niet waar zijn. Hij vergeet te schrijven wat Gerard voor hèm heeft gedaan. Gerard vond daar tijdelijk onderdak en Guus van Bladel vond dat pràchtig. Voor Guus van Bladel was Gerard gewoon een bekende Nederlander, zoals de Zangeres Zonder Naam. En die mythologie dat hij zo'n gewèldig Reve-archief heeft: ik zou niet weten wat dat meer is dan wat eerste drukkies en krantenknipseltjes, die hij nu op een hobbyistische manier op datum heeft gelegd.

“Een gek in Leiden, Piet van Winden, die ook Reve-grootgrutter wil zijn, heeft een catalogus uitgegeven. Hij is op een hondsbrutale manier bezig, wil het alleenrecht hebben over de verkoop van boekjes over en van Gerard Reve. Hij had ook te maken met die viering van 50 jaar De avonden in de Vondelkerk. Als ik die foto's van dat feestje zie, vind ik dat een oubollige, kinderachtige en studentikoze hysterie. Mensen die hun Avonden boven het hoofd houden en allemaal Hoeiboei moeten roepen, daar krijg ik het schaamrood van op de kaken. Een vervelings-project als dat boekje met Reve-wandelingen, om te kijken waar het zich allemaal heeft afgespeeld, hoef ik niet te hebben. Als je Gerards eigen boeken leest, weet je ook op welke zolderkamertjes en etagetjes hij heeft zitten ploeteren.

“Mensen met geen enkel talent klampen zich aan Reve vast omdat ie lekker in de markt ligt, nogal barok is en nog met kroontjespen schrijft. Hij is fotogeniek, kan aardig uit z'n woorden komen. Die dwarse beweringen en standpunten maken de zaak alleen maar smeuïger. Ik zou het veel interessanter vinden als er eens een mooie studie over Jan Arends of K. Schippers zou verschijnen. Of over de poëzie van Jean-Pierre Rawie, wat voor mij negentig procent hoger, grootser en duurzamer is dan wat Gerard schrijft.

“Ik had toen ik hem ontmoette meer bewondering voor Gerards vitaliteit en aantrekkingskracht dan voor zijn werk. Zijn hele oeuvre heeft hoogtepunten, maar ja, het is je geraden dat je kwaliteit levert als je schrijver bent. Mensen die zich vervelen, geven nu aan Gerards werk buitenmenselijke proporties. En het krijgt de sfeer van suikerzakkies verzamelen: voor 35 gulden een eerste drukkie kopen, zo begint dat. Mensen die bij De Slegte gedumpte boekjes vinden en zich dan Reviaan noemen. Hoe grotere dorpsgek, hoe dichter bij de erkende Reviaan. Die hele mythevorming onstaat uit een behoefte om vat te krijgen op de persoon. Trieste mensen.

“Het zijn altijd zeurders die een beroep op Gerard doen, zich met hem willen associëren om zichzelf een bepaalde status aan te meten. Die aanbidding komt natuurlijk ook voort uit zijn omvangrijke oeuvre. In de schilderkunst zie je ook dat voor bepaalde schilders die geweldig productief zijn geweest enorme bedragen worden neergeteld, terwijl werk van jonggestorven meesters van gelijke kwaliteit veel minder waard is. Johnny van Doorn is een veel belangrijker vernieuwer dan Gerard geweest, in die zin dat zijn oeuvre een ongedateerd tijdsbeeld vormt; als je wat gedronken hebt en je leest De heilige huichelaar, dan is dat of het vandaag geschreven is.

“Het valt mij op dat W.F. Hermans, absoluut de meest interessante, veelzijdige en originele schrijver van zijn tijd, door veel mensen al vergeten is. Misschien ook doordat de familie alles buiten de deur houdt, wat je ze niet kwalijk kan nemen. Mevrouw Vestdijk is echt door het slijk gehaald omdat ze weigerde allerlei nieuwsgierige apen in de paperassen te laten zitten. Ik kan me heel goed voorstellen dat je de boot afhoudt. De vereerders slaan, als ze hun zin niet krijgen, altijd om in haters. Ik heb dat al een paar keer meegemaakt. Mensen die als Reve-aanbidders over de vloer kwamen en die, zodra niet elke la werd opengetrokken, een agressieve houding aannamen.”

Er komt een moment, het leeftijdsverschil en de statistieken in aanmerking genomen, dat u het volledige beheer over de nalatenschap krijgt.

“Ik denk niet dat dat bij ons opgaat. Wat gezondheid betreft is Gerard er beter aan toe dan ik. Ik heb meer moeite met ademhalen dan hij. Ik wil nog wel een tijdje genieten, maar veel waarde hecht ik niet aan het leven. Wel aan een bepaalde orde en systematiek. Ik denk erg in de toekomst. De reden dat ik de afgelopen jaren vrij veel spullen op de markt heb gegooid en meer veilingen zullen volgen, is dat ik op 31 december 2000 zeventien 17de eeuwse items wil bezitten: schilderijen, tekeningen, glaswerk. Ik ben al een eind op weg, heb bijzondere gravures, schilderijen van Govert Flinck, Jan van Mieris, Van der Helst. Ik heb een aardige collectie 17de eeuwse wijnglazen, voor een paar kan nog een beter exemplaar in de plaats komen.

“Toen ik een paar jaar geleden het ordenen van Gerards archief had volbracht, besloot ik tot deze liefhebberij. Maar daarvoor moest wel wat worden ingeleverd. De fotocollectie zal ik bij mijn leven niet wegdoen, omdat ik erg visueel ben ingesteld. Maar die hoeveelheid papier kan ik gemakkelijk afstoten, temeer omdat andere mensen daar weer plezier aan beleven.”

Kunt u zich voorstellen dat het als ondankbaar wordt beschouwd om zo'n verzameling boeken met welgemeende opdrachten weg te doen?

“Ik dacht daarover na toen ik een paar meubelen aan het in de was zetten was met ouwe T-shirts en sokken van Gerard: dáár zou je eigenlijk veel meer waarde aan moeten hechten. Die dingen heeft hij tien, vijftien jaar gedragen en daar smeer je nu een klodder bijenwas op. Die boekjes met opdracht werden een soort formaliteit: zodra het uitkwam moest die opdracht erin worden gezet. In het begin ben je apetrots, later ging het van: krabbeltje erin en huppeta, in de kast. Je ziet het ook aan de collectie: die boeken zijn nog nooit open geweest. Het verschijnen van de Brieven aan Matroos Vosch vond ik een mooie afsluiting: nu hoef ik Gerard nooit meer lastig te vallen voor een opdracht aan z'n vriend.

“De catalogus van deze veiling vormt een complete bibliografie; je weet precies op welke dag die boeken zijn verschenen omdat het gedateerd is. Je kan zien met welke snelheid de drukken elkaar hebben opgevolgd. Ik ga nog allerlei onderdelen van het archief, proefdrukken, ontwerpen van omslagen et cetera, ter veiling aanbieden. Zo kan ik iedereen gelukkig maken. Althans, dat hoop je dan maar.”

“Ik vind het zo dom nog niet hoor”, zegt Gerard Reve, die zijn werkkamer heeft verlaten en een glas wijn meedrinkt. “Kijk, wat er gebeurt als hij dood is en ik dood ben, weten we niet. Joop vroeg: wat vind je van die veiling? Ik zeg: het zijn jouw boeken, jij hebt ze toch gelezen? Een heleboel mensen willen die eerste drukken hebben, God mag weten waarom. Vroeger gaf ik dingen weg aan het Letterkundig Museum. Maar dat zijn altijd aartsvijanden van mij geweest. Nu zijn ze kwaad dat ze het manuscript van De avonden op de veiling moesten kopen. Terwijl, als ze meteen een aardig aanbod hadden gedaan, hadden ze het voor tweederde van dat bedrag verworven.”

Joop Schafthuizen: “De spoeling voor nieuwe brievenboeken begint dun te raken. Er zijn nog wat belangrijke correspondenties, zoals die met Geert van Oorschot. Die is heel omvangrijk, ik hoop dat dat ooit tot een mooi project leidt. Nu schrijft Gerard nog hooguit een brief per dag, daarna wijdt hij zich weer aan zijn hoofdwerk. Tien jaar geleden waren dat er nog minstens vijf. Vanmorgen zocht ik vergeefs naar iets volwaardigs voor een nieuwjaars-relatiegeschenk; tien jaar geleden had Gerard de kopij voor zo'n interessant projectje binnen drie dagen afgeleverd. Het kost hem te veel energie, hij heeft zijn concentratie nu helemaal nodig voor zijn echte werk. Hij heeft alle voordrachten en signeersessies afgezworen.”

Hij heeft bovendien een zware hartoperatie achter de rug.

“Gerard heeft dat ontzettend moedig ondergaan en gedragen. Het heeft hem ook erg geholpen. Hij was kortademig en snel moe. Hij is niet bang van dokters en ziekenhuizen en heeft de discipline om niet op te geven of bij de pakken neer te zitten. Bewonderenswaardig voor iemand die al zo lang op deze wereld staat. En die onoppassend heeft geleefd en veel heeft gedronken, gerookt, gevochten en... liefgehad. Als je zijn boeken leest, lijkt het of Gerard een grote schuinsmarcheerder is. In de 22 jaar dat ik nu met Gerard ben is hij toch minder dan 22 keer straalverliefd geweest. En als ie verliefd is, is dat eigenlijk zo komisch en doorschijnend dat ik eerder weet dat hij verliefd is dan hijzelf.

“Gerard valt op iets oudere jongens, ik op heel jonge. Een jaar of vier geleden kreeg ik ineens in de gaten dat ze me een vieze ouwe man begonnen te vinden. Daar heb ik het behoorlijk moeilijk mee gehad. Ineens merk je dat je opvalt als je op het strand met van die indiaantjes keet loopt te schoppen en in snackbarretjes achter ze aan loopt te rennen. Het komt natuurlijk ook door die vreselijke aids en die gruwelijke misdaden, kinderprostitutie en videotroep, dat mensen zich bezorgder maken als ze zo'n gozer met van die uitpuilende ogen naar hun zoontje of dochtertje zien kijken. Terecht, natuurlijk.

“Ik heb nooit moeilijkheden gehad, niets met politie of justitie te maken gehad, maar als je beseft wat een relatie met een minderjarige teweeg kan brengen, hoe die vervormd kan worden tot een neurotische persoonlijkheid, dan ga je jezelf toch een dader voelen. Als je dan toch blijft doorgaan, dan breng je jezelf behoorlijk in de knoop.

“Die behoefte kan ook worden bevredigd door gedachten, door observaties en door het aanschouwen van mooie kunstwerken waar de jeugd op te zien is. Ik kijk echt niet de andere kant op als ik een mooie jongen zie, maar ik besef wel dat ik me koest moet houden. Gelukkig zijn er prachtige films, waarin jeugdige personen heel mooi in worden weergegeven, en schitterende fototijdschriften. Die seksuele opwinding bestaat nog wel, maar ik heb er meer vat op, ben er meer de baas over.

“Als je jezelf niet kan relativeren, als je het niet in de hand hebt, kan het voor alle partijen heel treurig en ellendig aflopen. Omdat je op een gegeven ogenblik geheel in de macht bent van zo'n persoontje. Vorige week was ik in Amsterdam, en door een late afspraak raakte ik verzeild in die homoseksuele indianenclubs in de Paardenstraat. Daar zie je van die vijftien, zestienjarige jongetjes uit Polen en Oost-Duitsland hangen en wachten tot ze een vieze ouwe man vinden die z'n knip opentrekt. Tragisch voor dader èn slachtoffer. Vroeger had ik mijn hele hebben en houden uitgegeven om zo'n rakkertje een beetje te feesten. Nu was ik blij dat ik wijzer ben geworden.”

Wat dat betreft is de verleiding op het Belgische platteland kleiner.

“Nou, je hebt hier heel veel van die jeugdbewegingen. Maar met die gruwelijke affaire-Dutroux wordt iedereen die in de jeugd geïnteresseerd is, gezien als een potentiële verkrachter en moordenaar. Dat is de keerzijde. Kinderen die hier juist erg onschuldig waren, zijn extra alert als ze iets van aandacht of interesse voelen. Een kind heeft instinctmatig het besef: hier moet ik voor oppassen. Of: hiermee kan ik in zee. Naarmate je ouder wordt ga je meer van je verstand uit, wat weer averechts kan werken omdat liefde juist te maken heeft met emoties en gevoelens.

“Ik wil nu een soort zondagsfotograafje zijn die een paar vriendjes heeft die het ontzettend leuk vinden om met mij kleertjes te gaan scoren. Dat fotografeer ik dan, gewoon, voor de liefhebberij. Dat zij gelukkig zijn met die kleren geeft mij een tevreden gevoel. Zo kan je je complexen een beetje verzachten, verfraaien en er zelfs van profiteren. Dan hoef ik niet het pielemuisje te zien of z'n okseltjes te ruiken. De bevrediging zit in de happiness die hij in het kledingmagazijn heeft van een bepaald shirtje of truitje. Dus ja, er is nog hoop...

“Het geheim van onze verhouding is, dat ik extravert ben en Gerard introvert, en dat hij de taal heeft als enige middel om zich uit te drukken en ik het beeld. Ik ben in wezen niet echt helemaal achterlijk, maar ik heb wel een bepaalde dosis taalblindheid meegekregen. Ik denk alleen maar in beelden. Daarom ben ik ook zo gefascineerd door esthetiek.

“Deze zomer kwam ik met mijn psychiater tot de slotsom dat ik geen homoseksueel of pederast ben, maar gewoon een geweldige estheet. Bij een foto kijk ik altijd eerst: heeft ie een wratje in zijn nekkie, heeft ie vieze nageltjes? Heeft allemaal met esthetiek te maken. Ik schaam me diep om me in het bijzijn van een jeugdig persoon uit te kleden. Welbeschouwd heb ik nog nooit de liefde bedreven met een minderjarige jongen. Daar gáát het niet om.”

Is die hang naar esthetiek ook de drijfveer van uw verzamelwoede?

“Absoluut. Ik kan me voorstellen dat die verslaving mij, net als de grote verzamelaar Joost Ritman, tot een bankroet leidt. Diep in mijn hart vormt die hunkering naar esthetiek mijn bestaansrecht. Ik kan qua intelligentie niet achter een computer zitten, ik kan geen bedrijf leiden; ik heb voor een liefhebberij gekozen waarbij je je verstand buiten spel kan zetten en je emoties de vrije loop kan laten. Ik schrik wel eens van de bedragen die zeldzame stukken kosten, maar troost me met de gedachte: er zijn meer mensen met dat bedrag op de bank dan met zo'n afbeelding aan de muur.

“Ik heb een bijna obsessie-achtige drang om achter de herkomst van een schilderij of beeld te komen. Ik vind het heel leuk om daarvoor musea te bezoeken, boeken te lezen. Zo heb ik een aardige bibliotheek verzameld. Van elk stuk van die etnografica weet ik de herkomst, precies het eilandje waar het vandaan komt en de ontstaansgeschiedenis. Daar staat een beeldje van de Nicobaren; ik denk dat in Nederland geen enkel stuk uit dat gebied bestaat. Ik heb daar literatuur en verslagen over gevonden. Maar zodra het menens wordt, neem ik een ander onderwerp.

“Ik kom uit een zeer eenvoudig gezin: mijn vader was ijzerwerker, mijn moeder een hardwerkende huisvrouw. Die wereld van de arrebeier, die sleurfamilie heb ik altijd willen ontvluchten. Vanaf mijn twaalfde ben ik bezig geweest ruimte te creëren voor iets anders, iets hogers. Je spiegelt je aan iets groots, ondanks dat je naarmate je ouder wordt van alles de betrekkelijkheid inziet. Tien jaar geleden had ik niet gedacht ooit een schilderij van een half miljoen te bezitten. Nu is dat best mogelijk, alleen moet ik dan een paar andere dingen wegdoen. Voor die etnografica bepaalde de taxateur een bedrag dat ver lag boven wat ik er zelf voor heb betaald. Dan heb je 'goed gekocht', zoals het in vaktermen heet.

“Wat die veiling van de boeken opbrengt, interesseert me in wezen niet. Als het maar de wereld in geschopt wordt. Ik ga ervan uit dat ik er zeker een gravuretje van kan kopen. Misschien een mooi wijnglas. Maar voor een schilderij zal het zeker niet genoeg zijn.

“Het allermooiste zou zijn dat van mijn verzameling uiteindelijk een gigantische speelgoedcollectie wordt verworven en geplaatst in mooie vitrines in kinderziekenhuizen. Ik wil niet overkomen als een mooie, nobele gozer, maar ik ben er wel al vijftien jaar mee bezig. Kinderleed, verkeersslachtoffertjes, het is het verschrikkelijkste dat er bestaat. Als ik dat verdriet kan verzachten vind ik dat veel belangrijker dan een schenking aan het Rijksmuseum of het Mauritshuis.”

    • Tom Rooduijn