De allerjongste hoofdstad van Oostenrijk

In 1984 koos de bevolking van de Oostenrijkse deelstaat Niederösterreich voor een nieuwe hoofdstad: St. Pölten, een onooglijk stadje van 51.000 inwoners dat hét symbool voor provincialisme was. Onlangs werd het laatste regeringsgebouw voltooid. Kosten noch moeite zijn gespaard om van het stadje een 'Brasilia an der Traisen' te maken.

ST. PÖLTEN, 29 NOV. “God, die van de waarheid houdt, moge dit huis beschermen en de documenten behouden voor de tand des tijds en de vernietiging door de mens. Mogen allen die hier onderzoek doen kennis en rechtvaardigheid vinden en meer liefde voor god! Amen.” Met de zegen van de bisschop is ook het laatste regeringsgebouw, het archief, in St. Pölten officieel geopend. St. Pölten is de jongste hoofdstad van Oostenrijk. Het idee dat ook Niederösterreich een eigen regeringscentrum nodig heeft is nog maar tien jaar oud. Eeuwenlang voldeed het centraal gelegen Wenen, maar in 1984 zette de toenmalige Landeshauptmann Siegfried Ludwig het onderwerp op de agenda en organiseerde een referendum. Het volk zag wel wat in een eigen hoofdstad. Dat het juist St. Pölten werd, is niet zonder ironie. Het onooglijke stadje met 51.000 inwoners, 60 kilometer ten westen van Wenen, was altijd hét symbool voor provincialisme. Zo oordeelde de schrijver Anton Kuh dat “Oostenrijk bestaat uit vijf miljoen St. Pöltners en twee miljoen Weners, die niet weten dat ze eigenlijk ook St. Pöltners zijn.”

Het is nu nog moeilijk te zeggen of het lelijke eendje een mooie zwaan zal worden, maar tot nu toe zijn er in ieder geval kosten noch moeite gespaard om het wonder te laten gebeuren. Toch waren de reacties op de uitkomst van de internationale architectuurwedstrijd in 1986 niet erg enthousiast. 'Te conventioneel' was het oordeel van de experts. Inderdaad waren alle visionaire ontwerpen al in de eerste ronde afgewezen en had de jury realisme en pragmatisme als motto gebruikt.

Een belangrijk besluit van de jury was ook dat er geen tweede centrum mocht ontstaan. De nieuwe wijk moest aan de oude stadskern grenzen om de stad als geheel op te waarderen. Een concurrerende city ernaast was ongewenst. De ontwerpen van Ernst Hoffmann werden voor de regeringsgebouwen gekozen, het culturele centrum werd door vier architecten gerealiseerd. Het masterplan is afkomstig van Hans Hollein en hij zal ook het museum met expositiehal bouwen. De opening is voor 2001 gepland. Klaus Kada bouwde het Festspielhaus, Karin Bily, Paul Katzberger en Michael Loudon de bibliotheek en het archief.

Centrum van de politieke macht is het Landhaus, bestaande uit drie gebouwen: de vergaderzaal met wandelgangen, de kantoorruimtes met een kapel en het restaurant. De toegevoegde 65 meter hoge toren is uitsluitend voor muziek en lichtinstallaties bedoeld, zodat ook het regeringsgedeelte niet geheel van cultuur verstoken blijft. De vergaderzaal staat op kolommen en wordt heeet 'schip' genoemd maar is eigenlijk maar de helft van een schip. De kolommen staan in een vijver, wat de havenachtige indruk versterkt, al ligt St. Pölten niet aan een stroom maar aan heet beekje de Traisen. Glas en staal domineren het schip en geven de bezoekersfoyer en de wandelgangen een licht en elegant aanzien. Door een smalle brug is het schip verbonden met kantoorruimtes, die zijn ondergebracht in een vierkant, enigszins lomp gebouw. Beamtenburg werd deze vesting meteen genoemd.

De door schip, kantoorgebouw en een overdekte winkelpromenade, omzoomde Landhausplatz is groot en kaal. Het plein moet, als het zo gewenste 'urbane' leven tot bloei komt, een stijlvol centrum worden. Maar de door de kleine restaurants buiten neergezette plastic pergola's doen het ergste vrezen.

Voor het welzijn van de ambtenaren is goed gezorgd. De vrijstaande glazen kubus die door een staalskelet wordt gedragen en alleen door de glazen brug vanuit het Landhaus is te bereiken, wordt niet restaurant, maar Speisenpavillion genoemd. Naast opulente maaltijden kunnen de ambtenaren hier ook van een mooi uitzicht genieten. Hoffmann heeft de oever van de Traisen er geheel bij betrokken en trappen tot aan het water aangelegd.

De cultuurwijk ligt tussen het oude centrum en het regeringsgebouw. De façade van het Festspielhaus is naar de stad gekeerd en deelt een plein met het nog te bouwen museum. De expositiehal, Shedhalle genoemd, staat er al maar heeft nog een provisorische ingang. Museum en hal krijgen straks een gezamenlijke entree. Hollein verandert zijn museumsplannen nog steeds. Inhoudelijk is alleen maar bekend dat er zalen voor eigentijdse geschiedenis, kunst en natuurwetenschappen moeten komen. Maar om de concurrentie met de Weense musea aan te kunnen zullen er uiteindelijk duidelijkere keuzes gemaakt moeten worden.

Ook het prachtige Festspielhaus zal tegen de Weense concurrentie moeten opboksen. Architect Klaus Kada heeft zijn uitgangspunt dat 'cultuur moet stralen' consequent gerealiseerd. De grote zaal ligt in een betonschaal (Raummuschel) en is van een glazen 'huid' met interne verlichting omgeven. Het glas heeft - alweer - de vorm van een scheepsromp en wordt door een glazen foyer omgeven. De verlichte glazen platen geven het gebouw, dat plaats biedt aan 1043 bezoekers en een Bühne van 36 meter hoog heeft, een bijna zwevende indruk.

Bibliotheek en archief werden door het trio Bily, Katzberger en Loudon als 'harde schijf' van het bureaucratische en historische geheugen opgevat. In tegenstelling tot museum en Festspielhaus is voor een sobere stijl gekozen, minimalistisch en introvert: stenen platen af en toe doorbroken door rijen glas. Beide gebouwen zien er van buiten zeer gesloten uit, maar zijn van binnen licht en vriendelijk. Het overvloedig gebruikte lichte eikenhout in combinatie met veel staal en glas roept en zakelijke maar niet intimiderende sfeer op, zoals ook het geval was bij de Weense paleizen, waarin bibliotheek en archief voorheen waren gehuisvest.

Bezoekers hebben niets te klagen, de medewerkers wel. De geschiedopvatting die Michael Loudon er op na houdt is hun duur komen te staan. Tegen hun verbeten weerstand in zette de architect door dat de amper 2,10 meter hoge depotruimtes geheel - plafond, muren, vloer - in mat zwart werden geverfd. De bedompte ruimtes moeten de geschiedenis als zwart gat symboliseren.

Voor het milieu werd beter gezorgd. De nieuwe wijk is gedeeltelijk van zonnencollectoren voorzien. Voor het spoelen van de wc's wordt regenwater gebruikt en alle platte daken hebben grasmatten gekregen. St. Pölten is vanouds een industriestad en de ecologische schade is inmiddels duidelijk te zien. Het is de bedoeling dat de ecologische verbeteringen vanuit de regeringsgebouwen langzaam over de rest van de stad zullen worden verspreid. Als 'Brasilia an der Traisen' (Neue Zürcher Zeitung) heeft St. Pölten de kans gekregen zijn beroerde imago voorgoed te verbeteren.