Alcoholmisbruik

In Wetenschap & Onderwijs van 25 oktober besprak Paul Schnabel verschillende aspecten van alcoholproblematiek en -behandeling. Hij stelt onder meer dat cliënten met alcoholproblemen meestal een persoonlijkheidsstoornis hebben, dat zij maar weinig heil hoeven te verwachten van de hulpverlening, en bovendien dat “veel verslaafden allang hebben afgehaakt voordat de eerste resultaten zichtbaar kunnen worden”.

Gesuggereerd wordt daarnaast dat er eigenlijk weinig wetenschappelijke kennis bestaat over het onderwerp.

De werkelijkheid is anders. In de afgelopen dertig jaar is er veel onderzoek gedaan naar alcoholproblematiek, met name in de Verenigde Staten, en er is wel degelijk veel wetenschappelijke kennis beschikbaar. Zo is er bijvoorbeeld geen sprake van dè alcoholist, noch van een alcoholische persoonlijkheid. Alcoholproblemen komen in verschillende vormen en maten. Sommige personen drinken veel te veel, anderen een beetje te veel. Zij ervaren grote of kleine problemen, al dan niet samenhangend met psychiatrische problemen en/of persoonlijkheidsstoornissen. Een aardig gegeven is, dat verreweg de meeste van hen na verloop van tijd zelf minderen zonder hulp. Zij ervaren negatieve consequenties, besluiten om te minderen en doen dat ook, en blijven buiten allerlei statistieken.

Wat is er bekend over de effecten van hulpverlening aan mensen die daar wel gebruik van maken? De informatie daarover is verrassend consistent, en stemt tot optimisme. Methodieken die overtuigend worden ondersteund door wetenschappelijk onderzoek zijn gericht op het minderen van het drinkgedrag zelf, zonder al te diep in te gaan op onderliggende (persoonlijkheids-)problematiek. Vaak kan deze hulp kort worden gehouden.

Welke methodieken zijn dat? Op de eerste plaats wordt een verhelderend gesprek gevoerd. Voor- en nadelen van het drinken worden besproken, er wordt expliciet vastgesteld wat de cliënt wil (stoppen?, verminderen?, tot hoeveel? of doordrinken?) en er wordt een concreet plan gemaakt.

Sommige personen hebben voldoende aan een eenmalig contact dat zich hiertoe beperkt. Zij maken met de hulpverlener een concreet plan en zijn prima in staat om dat plan ten uitvoer te brengen. Zulke 'minimale interventies' zijn ook goed te gebruiken door huisartsen en andere hulpverleners buiten de verslavingszorg.

Niet alle cliënten zijn in staat om de gemaakte plannen in de praktijk te brengen. Sommigen maken plannen om te minderen of te stoppen, maar missen de vaardigheden om die plannen ten uitvoer te brengen. In zulke gevallen wordt gebruik gemaakt van 'terugvalpreventie'. Aandacht wordt besteed aan het leren omgaan met alcohol en met risicosituaties, soms ondersteund door het medicijn disulfiram (leidt in combinatie met alcohol tot misselijkheid); aan het ontwikkelen van een prettige leefstijl en het oplossen van problemen.

Ook terugvalpreventie kan vaak kort worden gehouden. Al enige tjd doet het Alcoholteam van de Jellinek aan bepaalde cliënten een zogenaamd 'vijf-gesprekken-aanbod'. Meer dan 80 procent van deze cliënten zijn achteraf tevreden met deze hulp, zijn minder gaan drinken en ervaren minder problemen.

Er is zeker ruimte voor verbetering in de verslavingszorg. Cliëntuitval is hoog en bepaalde cliënten hebben behoefte aan meer, intensievere of andere hulp. Een adequaat aanbod is nodig voor zwaar verslaafde 'draaideurcliënten', onder wie vaak daklozen. Meer aandacht behoeven ook theoretische kwesties als de interactie tussen verslavingsproblematiek en psychiatrische problemen en persoonlijkheidsstoornissen. Maar zo somber als Paul Schnabel de situatie schetst is het nu ook weer niet.