Verdwenen kunst, verdwenen eigenaren en talloze claims van regeringen en particulieren; De kous is nog niet af

De nasleep van de kunstroof tijdens de Tweede Wereldoorlog duurt maar voort. Zowel in Nederlandse, Franse, Duitse, Russische, Zwitserse als Amerikaanse musea hangen schilderijen die in de oorlog door de Duitsers zijn geroofd maar waarvan men niet weet wie de eigenaar was. Andere kunst wordt geclaimd door overheden die de betreffende werken nooit bezeten hebben, weer andere door kinderen en kleinkinderen van oorspronkelijke eigenaren. Hoe lang moeten aanspraken geldig blijven?

De laatste jaren is duidelijk geworden dat opmerkelijk veel geroofde kunst in de Verenigde Staten is beland

Alleen al in de buurt van München moeten bij particulieren nog honderden belangrijke schilderijen uit de collectie van Hitler hangen

Er wordt wel eens vergeten dat in Rusland tijdens de oorlog een onvoorstelbare hoeveelheid kunst is vernield, die nergens meer te claimen valt

Hoewel een groot deel van de in de oorlog verdwenen kunst niet was teruggevonden, begon de 'grootste kunstroof aller tijden' omstreeks 1960 in de vergetelheid te raken. De door de Amerikanen ingestelde Art Collecting Points, waar de kunstwerken werden verzameld die de Duitsers hadden buitgemaakt, waren in 1952 gesloten. De recuperatie naar de verschillende landen was afgewikkeld en het gebeurde nog maar zelden dat particulieren in een museum een kunstwerk als hun eigendom herkenden. In de kranten werd niet meer over het onderwerp geschreven.

Tot Simon Wiesenthal, oprichter van het Joods Documentatiecentrum in Wenen, in het najaar van 1965 met twee opzienbarende onthullingen kwam. In München, zo maakte hij bekend, werd het restant van de kunstbuit verdeeld onder tachtig Westduitse museumdirecteuren. Het ging om 1200 kunstwerken die waren achtergebleven in de Collecting Points omdat niemand wist uit welk land ze afkomstig waren. Waarschijnlijk hadden ze toebehoord aan in de oorlog omgekomen joden.

Wiesenthal bracht ook aan het licht dat in Oostenrijk nog achtduizend geroofde kunstwerken waren opgeslagen waarvan de Oostenrijkse regering nooit geprobeerd had de herkomst te achterhalen. Plotseling stond de kunstroof van de nazi's weer in het nieuws. Wiesenthal eiste van de Oostenrijkse regering dat ze alsnog pogingen zou doen om de eigenaren op te sporen en dat er een catalogus zou worden gemaakt van alle achtduizend werken.

Nadat Het Parool op 16 oktober 1965 een pagina aan deze affaire had gewijd, kwam er een ingezonden brief van de schrijver Harry Mulisch. In 1959 was Mulisch in de DDR geweest, in Weimar, waar hij vriendschap had gesloten met de conservator van het 'Goethe Haus', Leepin: “Hij wilde graag eens naar Holland komen; voor dat doel stond hij op en draaide een paar schilderijen om die aan de wand van zijn kantoor hingen. Als ik mijn aantekeningen uit die dagen ontcijfer, stond op het ene: JOHAN BUNING LEIDSEGRACHT 110 en op het andere (een stilleven) A. en A.”

Leepin vertelde “dat er in Weimar ongeveer dertig gestolen Nederlandse schilderijen waren. Na de oorlog probeerde een SS-man ze naar West-Duitsland te smokkelen, maar bij de grens werd hij gepakt. Hij, Leepin zelf, heeft ze toen teruggehaald.”

Mulisch vermeldt nog enkele gegevens die hij op de achterkanten van de schilderijen las: 'EVERSEN (stilleven), CHR. V.D. WINDT, ZOETERWOUDE' en 'W.P.RIP 1894 (landschap)' en voegt eraan toe dat het hem geen grote meesterwerken leken. Met het argument dat het 'British Museum ook bepaalde kunstwerken' heeft 'die niet van eigen bodem' zijn, betoogt hij dat we wel kunnen proberen de Duitse kunstroof ongedaan te maken en alles terug te geven, maar dat het eind dan zoek is. 'et cetera ad nauseam', zo besloot Mulisch zijn 'bijdrage aan de kunstschattenactie van Wiesenthal'.

Rode Leger

De dertig uit Nederland geroofde schilderijen zullen nu nog wel rustig in Weimar hangen. Maar toch is Mulisch' boodschap niet overgekomen. Na jarenlange onderhandelingen met Oostenrijk werd in 1988 een begin gemaakt met de teruggave van de geroofde kunst. Wat niet kon worden thuisgebracht bleef achter in het Oostenrijkse Mauerbach-klooster en werd vorig jaar in Wenen geveild. Daarmee was nog lang geen eind gekomen aan de nasleep van de kunstroof in de Tweede Wereldoorlog. Integendeel - de kwestie is nu actueler dan ooit.

Verschillende landen betwisten elkaar hun kunstbezit, steeds vaker duiken in de oorlog verdwenen kunstwerken op bij veilingen en exposities en particulieren schakelen kunst-detectives en advocaten in om de schilderijen van hun grootouders terug te vinden of op te eisen.

In 1957 kreeg de DDR van de Sovjet-Unie anderhalf miljoen kunstwerken die de 'trofeeënbrigades' van het Rode Leger kort na de oorlog uit Duitsland hadden meegenomen. Tot aan het eind van de jaren tachtig heeft de Sovjet-Unie ontkend dat er nog steeds enorme ladingen uit Duitsland afkomstige kunstwerken in de Russische depots lagen. Maar na de opheffing van de Sovjet-Unie verscheen er een stroom van publicaties over de 'geheime kunstschatten' in het Poesjkinmuseum en de Hermitage. Het viel niet langer te verbergen en in 1992 hield Rusland voor het eerst een expositie van 'trofeeënkunst': de Hermitage in St. Petersburg toonde tekeningen en prenten die ontvreemd waren uit het bezit van de Bremer Kunsthalle. Daarna volgden nog exposities van impressionistische schilderijen uit Duitse privé-verzamelingen, de Trojaanse goudschat van Priamus - die in 1945 uit Berlijn was meegenomen - en tekeningen uit de Koenigscollectie die het Rode Leger in een kasteel bij Dresden had aangetroffen.

Intussen werd de regering van de Russische Federatie van alle kanten bekogeld met claims.

Nederland wil de Koenigscollectie terughebben, maar ook enkele archieven die nog altijd in Moskou zijn plus vier uit Nederland afkomstige schilderijen die in de oorlog aan Göring zijn verkocht en onlangs werden ontdekt in het Moskouse Poesjkinmuseum. Duitsland claimt 200.000 kunstvoorwerpen, twee miljoen boeken en drie kilometer archief. En dan zijn er nog claims uit voormalige Sovjet-republieken als de Oekraïne en Wit-Rusland. Uit deze republieken hebben de nazi's in de oorlog honderdduizenden kunstwerken weggevoerd. Na de oorlog werden er weliswaar een half miljoen gerecupereerd, maar de meeste kwamen in Moskou terecht en keerden nooit terug naar de steden in de Oekraïne en Wit-Rusland waar de Duitsers ze hadden weggehaald.

Behalve de Koenigscollectie hebben de Russische trofeeënbrigades nog veel meer door de nazi's verworven kunst naar Moskou getransporteerd. Net als in het westen van Duitsland waren ook in de oostelijke zone speciale depots voor kunstwerken die in Nederland, België, Frankrijk, Italië en andere bezette gebieden waren buitgemaakt. Volgens Italië is een deel van de daar geroofde kunst via die depots naar Rusland verdwenen. Italië claimt 1600 voorwerpen, variërend van Stradivarius-violen tot schilderijen en Etruskische vazen.

Alle kunst die de Duitsers in de Sovjet-Unie hebben vernietigd, kan niet meer worden geclaimd, maar van de kunst die de Duitsers meenamen, wil Rusland op zijn beurt nog het nodige terughebben: 40.000 kunstvoorwerpen en zo'n 200.000 antiquarische boeken. Maar Duitsland weet niet waar het die zoeken moet. Ook hebben de Russen het vermoeden geuit dat Amerikaanse musea in geheime depots nog veel kunstwerken verborgen houden die na de oorlog uit de Collecting Points zijn meegesmokkeld. Of dat werkelijk zo is, is nooit onderzocht. Maar de laatste jaren is wel duidelijk geworden dat opmerkelijk veel geroofde kunst in de Verenigde Staten is beland. Al tijdens de oorlog kochten Newyorkse kunsthandelaren via Zwitserland impressionistische schilderijen aan die door de nazi's waren geconfisqueerd. Uit de Duitse kunstdepots is flink gestolen door Amerikaanse militairen - begin jaren vijftig kwamen in de Verenigde Staten honderden diefstallen aan het licht. Later zijn ook via de zwarte markt kunstwerken die door Russische militairen waren gestolen doorverkocht naar Amerika. Maar hoeveel er precies naar de Verenigde Staten is verdwenen, valt niet meer op te helderen.

Familiebezit

Terwijl verschillende landen elkaar met claims belagen, kwamen de laatste jaren ook steeds meer particulieren op het idee hun verloren familiebezit terug te eisen. De Amerikaanse kleinkinderen van de door de Duitsers omgebrachte Fritz en Louise Gutmann uit Heemstede claimen ondermeer schilderijen uit het Getty Museum en het San Diego Museum in de Verenigde Staten en uit de Alte Pinakothek in München. Nederland wacht nu met spanning op een claim van de erven-Goudstikker. Kinderen van Duitse verzamelaars willen hun schilderijen uit Rusland terug en zo zijn er meer voorbeelden.

Maar niet alleen de talloze kunstclaims houden de gemoederen bezig, ook de kunstwerken die juist niet worden geclaimd. Omdat de eigenaren en hun nazaten in de oorlog zijn omgekomen, of omdat degenen die de oorlog wel hadden overleefd er niet toe kwamen hun bezit op te eisen.

Zowel in Nederlandse, Franse, Duitse, Russische, Zwitserse als Amerikaanse musea hangen schilderijen die in de oorlog door de Duitsers zijn geconfisqueerd maar waarvan men niet weet wie de eigenaar was. Vaak is zelfs het land van herkomst onbekend. Dat geldt bijvoorbeeld voor een aantal schilderijen en andere kunstvoorwerpen die de medewerkers van de Stichting Nederlands Kunstbezit uit de Art Collecting Points naar Nederland stuurden, hoewel er geen enkele aanwijzing was dat ze hier vandaan kwamen.

Deze kunsttransporten hadden overigens de goedkeuring van de Amerikanen die de Collecting Points beheerden. Net als de Nederlanders en de Fransen waren zij beducht dat er veel kunstwerken zouden achterblijven en weer aan de Duitsers toevallen. Vlak na de oorlog heeft het maar een haartje gescheeld of de geallieerden hadden zich niet alleen ontfermd over de door de nazi's geroofde kunst, maar ook over het Duitse museumbezit.

De Russen, Fransen en Amerikanen vonden dat het Duitse culturele erfgoed kon dienen als compensatie voor de oorlogsverliezen. De directeur van de National Gallery in Washington ging in 1946 de Duitse musea af om te kijken welke schilderijen in aanmerking kwamen voor zijn eigen museum. In dat jaar werden 202 topstukken uit Duitsland naar Amerika verscheept. Maar het idee om die kunstwerken te houden stuitte op zoveel protest in de Amerikaanse kranten, dat ze in 1948 naar Duitsland werden geretourneerd.

De Britten voelden er niets voor om de Duitsers als schadeloosstelling van hun kunst te ontdoen en het was dan ook aan de Britten te danken dat een omstreden accoord tussen de geallieerden nooit officieel is bekrachtigd. Volgens dit 'Restitution-in-Kind'-accoord uit 1945 moest Duitsland geroofde kunstwerken die onvindbaar bleken vervangen door gelijkwaardige werken uit de eigen collecties. Hoewel dit accoord maar voorlopig was en nooit nader is uitgewerkt, zoals in 1945 de bedoeling was, heeft Rusland het later gebruikt als argument tegen de Duitse kunst-claims: de naoorlogse kunsttransporten uit Duitsland naar de Sovjet-Unie waren geen roof geweest, maar een legale, internationaal geaccepteerde genoegdoeningsactie.

Ook in Nederland was men wel vatbaar voor de gedachte om Duitsland met kunstwerken te laten boeten. In het rapport Onze roerende schatten van wetenschap en kunst in de oorlogsjaren uit april 1945, opperde J.K. van der Haagen al de mogelijkheid om Duitsland 'als vergoeding van de onherstelbare schade op cultureel gebied (-) een aantal voor ons belangrijke kunstwerken' te laten afstaan. De directeur van de Stichting Nederlands Kunstbezit, A.B. de Vries, kon zich voorstellen, zoals hij na de Bevrijding schreef, 'dat b.v. voor de in Rotterdam aangerichte schade o.a. Rembrandt's Isaac zegent Ephraim en Manasse uit het museum te Cassel opgeëischt zou worden.' Zover is het nooit gekomen, de Duitse musea zijn dankzij de Britten niet leeggehaald. Maar de behoefte aan vergelding verklaart wel de wens van de Nederlanders, Fransen en Amerikanen om zo min mogelijk kunstwerken te laten liggen in de Collecting Points en om de Duitsers liever teveel dan te weinig geroofde kunst afhandig te maken.

In Frankrijk ontstond twee jaar geleden commotie na de verschijning van het boek Le Musée Disparu waarin de journalist Hector Feliciano bekend maakte dat de Franse musea nog 2058 gerecupereerde kunstwerken bezitten waarvan de herkomst onduidelijk is. Volgens het Louvre zijn veel van deze werken in de oorlog vrijwillig aan de Duitsers verkocht en dus niet afkomstig uit geconfisqueerd joods bezit. Deze mededeling werd aangevochten. Een deel zou wel degelijk geconfisqueerd zijn en de Franse regering zou destijds te weinig hebben gedaan om de eigenaren op te sporen. Maar de 2058 werken zijn vier jaar lang, van 1950 tot '54, geëxposeerd in het Chateau de Compiègne, opdat eventuele eigenaren hun bezit konden herkennen. In Nederland zijn de kunstwerken met onbekende herkomst niet langer dan twee maanden geëxposeerd en lang niet allemaal. Daarna werd een deel geveild.

Dit voorjaar heeft Frankrijk de tentoonstelling uit de jaren vijftig nog eens herhaald, nu in enkele Parijse musea. Bovendien zijn 400 kunstwerken afgebeeld op het Internet. Tot nu toe heeft dit weinig resultaat gehad: niet meer dan één enkele pastel werd geclaimd. Kennelijk is het te laat.

De vraag is natuurlijk wat Nederland nu van plan is met de gerecupereerde kunst in musea en overheidsgebouwen, waarvan de herkomst onbekend is. Begin volgend jaar moet het onderzoek naar deze kunstwerken, dat in opdracht van het ministerie van OCW wordt verricht, zijn afgerond. Hopelijk blijkt dan om hoeveel kunstwerken het gaat. Maar of ze wel of niet in Nederland waren buitgemaakt en of ze voor de oorlog in joods bezit waren, zal men niet meer te weten komen. Er zal ook weinig animo zijn om deze kunst op het Internet te publiceren, gezien het povere resultaat van de Franse Internet-actie. Misschien moeten we maar berusten in het feit dat Nederland, net als Rusland, maar dan op kleinere schaal, een oorlogsbuit in de wacht heeft gesleept.

Wiedergutmachung

Bij de bombardementen op Duitse steden zijn veel van de geroofde kunstwerken vernietigd. Maar welke dat zijn, is niet te zeggen, doordat we niet weten hoeveel nog schuilgaat in privébezit. Alleen al in de buurt van München moeten bij particulieren nog honderden belangrijke schilderijen uit de collectie van Hitler hangen, die eind april 1945 door de bevolking uit de Führerbau werden gestolen. Zowel in Duitsland als Nederland kwamen kunstwerken die van joden waren afgepakt via veilingen en kunsthandels bij particulieren terecht. En dan waren er nog al die diefstallen door de militairen van de geallieerde troepen.

De gigantische kunstverhuizing die de Duitsers hebben veroorzaakt, kan nooit meer ongedaan worden gemaakt. De vooroorlogse situatie is niet meer te herstellen. West-Duitsland heeft bij de Wiedergutmachung voor de geconfisqueerde kunst moeten betalen. Al stonden de bedragen vaak niet in verhouding tot de waarde van de kunstwerken, er is toch het een en ander verrekend. Maar daarmee vervielen de aanspraken op verloren kunstwerken niet en de strijd om de oorlogskunst was dan ook nog lang niet beslecht. Die strijd duurt voort en wordt alleen maar feller. Verschillende landen hebben nu zelfs opsporingscatalogi gepubliceerd van alle in de oorlog ontvreemde kunstwerken die nog niet zijn teruggevonden, als een signaal dat het zoeken niet wordt gestaakt.

De Nederlandse openbare collecties zijn door de oorlog met duizenden kunstwerken verrijkt: alles wat vrijwillig aan de Duitsers was verkocht en na de oorlog werd teruggevonden, verviel immers aan de staat, evenals de kunst waarvoor zich geen eigenaar meldde. Toch is ook Nederland niet tevreden.

Bij de 6000 schilderijen die in Nederland nog worden vermist, zit relatief veel gestolen goed en geconfisqueerd joods bezit. Maar er zijn ook belangrijke stukken bij die in de oorlog vrijwillig werden verkocht.

De Inspectie Cultuurbezit van het ministerie van OCW heeft de laatste tien jaar de pogingen om kunstwerken terug te krijgen, geïntensiveerd. De Inspectie concentreert zich op kunst waarvan de verblijfplaats bekend is. Heel sporadisch lukt het om nog iets te recupereren. Het Portret van Pieter Reael door Govert Flinck is onlangs weergekeerd in Nederland en hangt nu in het Amsterdams Historisch Museum. Het doek was vroeger van jonkheer Henri Hooft Graafland, die het in maart 1944 in Amsterdam liet veilen. Kunsthandelaar Alois Miedl wist het vervolgens te slijten aan een van de kunstkopers van Hitler. Het Portret van Pieter Reael is nooit eerder in Nederlands openbaar bezit geweest, evenmin als de Koenigscollectie die door de Rotterdamse verzamelaar Van Beuningen aan Hitler werd verkocht. Ook het schilderij Olijfbomen in een berglandschap van Van Gogh, nu in de collectie van mevrouw J.H. Whitney in New York, was voor de oorlog in privébezit en werd vrijwillig aan de Duitsers verkocht. Omdat de verblijfplaats van dit doek sinds kort bekend is, moet de Inspectie Cultuurbezit nu gaan onderzoeken of Nederland het kan terugkrijgen.

Dat de vrijwillig aan de Duitsers verkochte kunstwerken na de oorlog aan de Nederlandse staat vervielen, was de logische consequentie van het verbod op transacties met de Duitsers dat door de Nederlandse regering in ballingschap aan het begin van de oorlog werd uitgevaardigd. Maar wordt het nu, vijftig jaar later, niet wat absurd om kunstwerken op te eisen die nooit eerder deel hebben uitgemaakt van het Nederlandse openbare bezit? Moet er niet eens een streep worden gezet onder de kunstrecuperatie?

Conferentie

Het is ondenkbaar dat Nederland als enig land zou afzien van zijn rechten op kunstwerken die de Duitsers in de oorlog hebben ontvreemd. Dat geldt ook voor de andere landen die nog met elkaar overhoop liggen over de oorlogskunst. Dat de teruggave van kunstwerken in het algemeen zeer problematisch is, blijkt wel uit het voortdurende debat binnen de Unesco.

Wat de oorlogskunst betreft, wordt Rusland, dat niet erg genegen is om kunstwerken te restitueren, door de Westerse landen nu als de grote dwarsligger gezien. Maar daarbij wordt wel eens vergeten dat in Rusland tijdens de oorlog een onvoorstelbare hoeveelheid kunst is vernield, die nergens meer te claimen valt.

Misschien is het zo langzamerhand eens tijd voor een internationale conferentie over de kunstroof in de Tweede Wereldoorlog, waar, voor zover mogelijk, de balans kan worden opgemaakt en waar deze kwestie, door nieuwe afspraken en regelingen, eindelijk kan worden afgewikkeld.

Ook voor de particuliere claims zouden internationaal regels moeten worden opgesteld. Nu zijn er nog mensen in leven die zich de kunstwerken herinneren die in hun jeugd bij hen thuis hingen en door de Duitsers werden geroofd. Als zo'n kunstwerk ergens opduikt, lukt het hen vaak niet om het terug te krijgen, hoewel zij de onbetwistbare eigenaar zijn. Maar er zijn ook al schoondochter- en kleinkinderclaims en binnenkort krijgen we te maken met achterkleinkinderclaims. Hoeveel generaties blijven de aanspraken geldig?

In Nederland moeten, voordat de kous af is, nog een paar onderzoekjes worden gedaan. Naar de rol van de Nederlandse musea bij het bewaren van kunstwerken uit joods bezit. En naar het beleid van de Stichting Nederlands Kunstbezit bij de teruggave van kunstwerken aan de rechtmatige eigenaren.

Met dank aan A.J. van der Leeuw, Gerard Aalders, Henriëtte Boas en alle anderen die me bij de totstandkoming van deze serie behulpzaam zijn geweest.

    • Lien Heyting