Stroperig

Het opportunisme van deze auteurs doet overigens niets af aan de juistheid van hun vraag: waar is het beoordelingssysteem van literaire fondsen eigenlijk op gebaseerd? Wie zijn de commissie- en bestuursleden van de literaire fondsen dat zij tonnen subsidiegeld mogen verdelen? Zo is d'Oliveira in het dagelijks leven hoogleraar migratierecht, niet direct een functie die je associeert met de 'deskundigheid op het gebied van de Nederlandse letteren' die de statuten van het Fonds als criterium stellen voor het bestuur.

Zelf ziet d'Oliveira dat anders. 'Het was nu juist de bedoeling van de reorganisatie van de kunstfondsen, enkele jaren geleden, om kleine besturen te vormen die niet zo'n enorme binding met het veld hebben. Zodat ze niet bloot staan aan de risico's van vriendjespolitiek. Maar het is ook nooit goed: of je doet aan vriendjespolitiek of je weet er niets van. Overigens heb ik in het verleden in de redacties van diverse literaire tijdschriften gezeten.'

Hoe zit het dan met de leden van de commissies die de boeken lezen en het bestuur adviseren welke schrijver welke subsidie verdient? Daar zitten toch wél auteurs en critici uit 'het veld' in, mensen die bovendien al jarenlang de dienst uitmaken in subsidieland? 'We verversen regelmatig het arsenaal van lezers', zegt d'Oliveira, 'juist om canonvorming tegen te gaan.' De leden van de commissies worden voor twee, maximaal vier jaar gekozen.

Wat vindt d'Oliveira van de klacht dat de subsidie-hiërarchie te weinig doorstroming kent? 'De pointe van het werkbeurzenbeleid is nu juist een zekere stroperigheid. Het zorgt ervoor dat schrijvers er niet meteen uitgeflikkerd worden als het een jaartje wat minder gaat, maar de garantie hebben dat ze aan de slag kunnen blijven.' Maar belemmert dat niet veel jonge schrijvers? 'Het is wel goed dat er voor aankomende schrijvers een drempel wordt opgeworpen. Ze moeten niet alleen veelbelovend zijn maar die belofte ook inlossen.'

    • Joris Abeling