Sociologie als wapen

Nico Wilterdink, Johan Heilbron en Abram de Swaan (red.):

Alles verandert. Opstellen voor en over J. Goudsblom. Meulenhoff, 390 blz. ƒ 49,90

Al te hardnekkig streven naar waarheid kan gemakkelijk leiden tot nihilisme. Wie maar lang genoeg blijft zoeken naar fundamenten onder de fundamenten, vindt niks. Dan lijkt de uitroep gerechtvaardigd: 'Waarheid bestaat niet, alles is relatief', met rampzalige gevolgen. Het nobele streven naar waarheid kan zichzelf ten gronde richten.

Een oud probleem, maar is het sociologie? En toch staat juist deze intellectuele problematiek - en niet een sociale kwestie als 'de cohesie van de samenleving' of 'het ongelijkheidsprobleem' - aan het begin van de wetenschappelijke carrière van de Amsterdamse socioloog Johan Goudsblom. In 1960 promoveerde hij op de dissertatie Nihilisme en Cultuur dat geheel aan deze vorm van filosofische zelfkwelling is gewijd.

Goudsblom werd bekend als verbreider van de civilisatietheorie van Norbert Elias, met zijn theoretische en polemische beschouwing Balans van de sociologie (1974) en met zijn geschiedenis van de menselijke omgang met vlammen: Vuur en beschaving (1992). Vorige maand ging deze 65-jarige voorman van de Amsterdamse School in de sociologie met emeritaat.

In het mooi uitgegeven liber amicorum dat Goudsblom vorige maand bij zijn afscheid kreeg aangeboden, Alles verandert. Opstellen voor en over J. Goudsblom, wijdt socioloog Nico Wilterdink zijn bijdrage 'Sociologie als zelfkritiek' aan dat eerste grote werk van zijn leermeester, Nihilisme en Cultuur. Aan de dissertatie is meer vreemd dan alleen het onderwerp. Ook Goudsbloms conclusie is opmerkelijk. Terwijl de sociologie toch bekend staat als een broedplaats van relativisme, is voor Goudsblom juist deze wetenschap een uitweg uit het nihilisme, een manier om te breken met het 'heroïsch individualisme'. 'Voor hem werd de sociologie het wapen tegen het radicale relativisme dat paradoxaal verbonden is met een absolute opvatting van waarheid, een eiland van inzicht in 'de oceaan van ons niet-weten' (Elias), een middel om 'de intellectuele verwarring waarin wij leven' te verminderen', schrijft Wilterdink. Sociologie als superieure waarheidsvinding èn relativering, die zichzelf niet te gronde richt.

Alles verandert is een zeer persoonlijk boek geworden, met tientallen stukken van leerlingen die over 'hun' Goudsblom schrijven. Niks abstracte theorieën of methodische scherpslijperij, hier eert een gilde van sociologische ambachtslieden zijn leermeester. Het gaat in de Amsterdamse sociologie om inzichten, niet om hypothesen, zoveel wordt duidelijk. 'Waar mensen fundamenteel op elkaar zijn aangewezen, beïnvloeden zij elkaar en zijn zo in ieder stadium van hun individuele ontwikkeling door elkaar gevormd (...) Dat is de sociologie die ik van Goudsblom geleerd heb', schrijft Wilterdink, geboren in 1946. 'Jammer (...) als de toekomstige generaties studenten niet ook kennis zouden kunnen nemen van zijn meest recente inzichten', schrijft promovenda Kyong Rijnders, geboren in 1967, al even eerbiedig over Goudsblom.

Door deze persoonlijke afwijkingen van de vorm van het wetenschappelijke Festschrift past het boek goed bij de literaire stijl en de aandacht voor het historische detail die eigen zijn aan de Amsterdamse school, waarvan Goudsblom een van de aartsvaders is, zo niet de stichter. De mooie formulering, de puntige gedachte is belangrijker dan de noeste kwantitatieve verwerking van grote gegevensbestanden - daar ligt ongeveer het onderscheidende corporate image van de Amsterdamse sociologen.

Het verschil met het Liber amicorum waarmee de àndere Nederlandse sociologische school, geconcentreerd aan de universiteiten van Groningen, Utrecht en Nijmegen, vorig jaar afscheid nam van haar emeriterende 'voorman' Reinhard Wippler had dan ook niet groter kunnen zijn. In dat boek, Verklarende sociologie (redactie H. Ganzeboom en S. Lindenberg, Thesis publishers 1996) vind je weinig persoonlijke details en juist veel tabellen en sociale statistiek. Geen foto's van het gezin van de gevierde geleerde, maar wel strenge verhandelingen over methodiek en het toetsen van hypothesen. De essayistische Amsterdammers en de methodische 'provincialen' zouden elkaar heel goed kunnen aanvullen, maar blijven hardnekkig naast elkaar voortbestaan. Wetenschappelijke scholen ontstaan uit een patstelling: door een gebrek aan overeenstemming over de juiste vorm van waarheidsvinding zijn de leden van verschillende richtingen eenvoudigweg niet in staat elkaar van het eigen gelijk te overtuigen. 'Sociologie is zoals het leven: een voortgaande oefening in het leren verdragen van gevoelens van machteloosheid', aldus een van de aforismen die socioloog Cas Wouters in Alles verandert aan zijn 'intellectuele vader' opdraagt.

Hoe dan ook, Alles verandert geeft een duidelijke aanzet tot een intellectuele biografie van de typisch Hollandse geleerde Joop Goudsblom: afstandelijk en 'elitair-burgerlijk' van levensstijl, maar ook nieuwsgierig naar feiten en gevoelig voor taal. We lezen in het ene stuk over zijn houding in de jaren zeventig tegenover extreem-linkse relschoppers in de collegezaal - op wier argumenten hij tot ieders verbazing bloedserieus inging, ondertussen de touwtjes strak in handen houdend. Elders krijgen we te horen over Britse universiteitsintriges rond het Festschrift van Goudsbloms grote leermeester Norbert Elias. We lezen ook hoe Goudsblom halverwege de jaren vijftig functioneerde in de redactie van het studentenblad Propria Cures, samen met de later beroemd geworden literatoren Renate Rubinstein, Aad Nuis en Jan Eijkelboom, maar ook de latere Elseviertopman Pierre Vinken en kankeronderzoeker Piet Borst. 'Een hoogconjunctuur van het burgerdom (...) Een duffe saaie boel, een allegaartje van luiheid, hypocrisie, ongeïnteresseerdheid en mooiweerspelerij', aldus de student Goudsblom over zijn vaderland in 1955.

De intellectuele strengheid van de jonge Goudsblom had hem bijna tot een cynische nihilist gemaakt, lijkt het wel. Want, zo schrijft Goudsblom in Nihilisme en Cultuur waaraan hij direct na zijn doctoraal begon: nihilisme is het gevolg van het waarheidsstreven dat aan het begin staat van de Europese cultuur. Wie het socratische 'waarheidsgebod' volgt, moet streven naar De Waarheid. Maar wie alle waarheden nauwkeurig onderzoekt, ontdekt dat er niet één de ware is, waarna men de doodlopende weg van het nihilisme gemakkelijk inslaat. Wat te doen?

De jonge Goudsblom wijst de klassiek sociologische verklaring van het nihilisme af. De opkomst van het nihilisme in de negentiende eeuw (zie Dostojevski, zie Nietzsche) zou te verklaren zijn uit het losser worden van de sociale verbanden en de toename van de mobiliteit. Kan zijn, oordeelt Goudsblom, maar voor een besef van nihilistische problematiek is meer nodig dan sociale onzekerheid: redeneervermogen bijvoorbeeld, kennis van culturele traditie. Kortom, nihilisme is zelf ook een cultureel fenomeen, en aldus wordt zij - in de woorden van Wilterdink - door Goudsblom 'van haar absolute, ontologische karakter ontdaan. De sociaal-culturele wetenschap levert een houvast tegen verlammend relativisme door dit zelf te relativeren'. En evenzo wordt sociologie meer dan een neutrale wetenschap gericht op verklaringen voor menselijk gedrag; het wordt óók levenswijsheid en afstandelijke levenshouding.