Rode schrang en zwindzucht

Toon Tellegen; Dokter Deter Illustraties door Gerda Dendooven, Uitgeverij Querido, 94 blz., Vanaf 9 jaar. ƒ 29,90.

Als in de beroemde dierenverhalen van Toon Tellegen eens een reuk breekt of de slurf van de olifant waait, zodat hij niet langer de olifant is, maar de 'grijze homp', schiet de boktor te hulp. Hij lijmt de dingen mopperend weer in elkaar, want de boktor is een soort dokter. Hij is het enige dier dat een beroep uitoefent, anderen hebben hoogstens af en toe een winkeltje. De boktor vervult het beroep van zijn schepper, want Tellegen was naast dichter en schrijver jarenlang huisarts.

Lang duurt pijn nooit in de dierenwereld, want er gaat geen dag voorbij. Van slepende ziekbedden, laat staan sterfgevallen, is geen sprake. In Juffrouw Kachel (1991) heeft de hoofdpersoon voor het letsel dat zijn schooljuf hem toebrengt als verweer de taal, het schrijven in zijn dagboek. In Tellegens andere kinderboeken is een beschermende moederolifant aanwezig of een vaderfiguur die, gezien zijn grote gaven, waterpokken, builen en andere kwetsuren ongetwijfeld met een fikse zwaai over de schutting slingert.

Toon Tellegen, dit jaar bekroond met de Theo Thijssenprijs voor zijn hele oeuvre (de P.C. Hooftprijs van de jeugdliteratuur), schreef een nieuw kinderboek waarin lijden, ziektes en pijn alomtegenwoordig zijn: Dokter Deter. Steenpuisten, oorontstekingen, rode schrang en zwindzucht, maar ook woede en verdriet en vermoeidheid trekken in een lange optocht voorbij. Lang duurt al deze ellende gelukkig niet, want: dokter Deter maakt iedereen beter.

Met zijn toegewijde knecht woont dokter Deter op de hoek van een straat. Zijn stoep ziet elke dag weer zwart van de zieken, ze tuimelen naar binnen door de deuren en de ramen, verdringen zich in de dakgoten. En dokter Deter geneest ze, al is hij doodmoe van alle drukte en eet hij liever taart. Veel meer kom je van hem niet te weten.

Al eerder waren de personages in Tellegens boeken ongrijpbaar, omdat ze weinig geschiedenis meekrijgen en ook geen duidelijke toekomstplannen. Vergeleken bij de vader uit Mijn vader (1994), die soms heel klein is, dan weer heel groot, soms dood en af en toe verdwenen, is dokter Deter een rots in de branding. Betrouwbaarder en, in zekere zin, menselijker (door de vermoeidheid). Desondanks blijft hij eendimensionaal en een stuk minder geloofwaardig dan de groteske vader of dito schooljuf Kachel, en wekt hij minder meedeleven dan Tellegens dieren (of dan het scala dolende ik-ken uit zijn poëzie).

In Tellegens eerdere kinderboeken zijn volwassenen uitvergroot beschreven, gezien door de ogen van een kind. Dat maakt al het wonderlijks dat gebeurt voorstelbaar. En in de dierenverhalen overdenken de dieren herkenbare uitdrukkingen en emoties, zij het in een bizarre wereld, waar eigen regels gelden. Dokter Deter staat op zichzelf, als een tovenaar met incidentele menselijke trekjes.

Het gebrek aan herkenning en de onmogelijkheid tot identificatie maakt dat Dokter Deter in vondsten blijft steken. Verrassend als altijd bij Tellegen, is zijn virtuoze taal en met zijn unieke humor, maar zonder de kenmerkende melancholie. Deters belevenissen ontroeren nauwelijks. Ze glijden van je af als water van een eend, die aan zijn duik wel genoegen beleefde. Heel af en toe is het boek ronduit flauw: in de namen van dokter Dieker (die iedereen zieker maakt in plaats van beter zoals Deter) en dokter Wom (die weet waarom iemand ziek is).

Op een keer geneest dokter Deter tien hersenschuddingen, van mensen die 'precies tegelijk' met hun hoofd tegen elkaar zijn gebotst. Zijn knecht bergt de hersenschuddingen op in de kelder en laat er onderweg op de keldertrap een paar glippen. Misschien iets voor de muizen? 'Zijn hersenschuddingen eetbaar? Dat weet niemand.' Mensen met hele rare ziektes maakt Deter soms heel raar beter: een oud vrouwtje dat niet kon lopen, gaat na genezing voetballend door het leven. Soms hullen kinderen zich na behandeling in zwarte jassen, dragen zwarte tassen en vragen de godganse dag: 'Waar is de vergaderruimte?'

Van de dood houdt dokter Deter niet, 'net zomin als hij van andijvie hield of van koude voeten'. Maar hij kan hem gelukkig verjagen. Tijdens een strandwandeling geneest Deter per ongeluk de branding, die spiegelglad wordt in plaats van 'in grote krullen naar het strand te rollen.' Echte Tellegen-vondsten zijn het allemaal. Vermakelijk, verbazend en bijzonder, maar al te vrijblijvend. Uiteindelijk blijf je als lezer met lege handen achter.

    • Judith Eiselin