Poëzie van Co Woudsma: precies en verrassend; Een cellokist vol biefstuk

Co Woudsma: Viewmaster. De Bezige Bij, 48 blz, ƒ 32,50

Viewmaster: dat is de titel van de debuutbundel van Co Woudsma (1960). Het is een woord dat in de reguliere woordenboeken niet te vinden is. Wie het niet kent, zal misschien denken dat de nieuwe dichter zichzelf met dit woord meteen maar krachtig heeft willen introduceren: als een meester van de blik (of van het uitzicht, of van het vergezicht).

Het zou voor dit overtuigende debuut niet eens een al te blufferige titel zijn, want Woudsma is een veel en goed kijkende, aandachtig observerende dichter, met een heel eigen blik. Maar in werkelijkheid is een 'viewmaster' iets anders: een soort speelgoedcamera, nu enigszins uit de mode geraakt, een vergezichtenverrekijker waarin schijfjes met kleine, kant en klare dia's geschoven kunnen worden.

Woudsma moet er in zijn jeugd vaak door gekeken hebben, zo valt op te maken uit het titelgedicht, tevens het slotgedicht van zijn bundel. Het beschrijft het moment waarop hij het ding na jaren weer eens in handen heeft. Alle plaatjes zijn hem nog even vertrouwd als vroeger: de pelikanen in een Londens park, Kuifje, een bazaar, 'Mowgli die voorgoed het woud verlaat'. En op al die bekende plekken blijkt in de tussentijd niets gewijzigd te zijn: daar is ook weer de Egyptenaar die 'even roerloos als de verre piramiden' nog steeds 'zijn eeuwige kameel berijdt.' Zo'n gegeven zou aanleiding kunnen zijn voor een stevige aanval van nostalgie, maar Woudsma stelt droog vast dat er inmiddels iets veranderd is. Zijn vroegere vermogen om zich volledig over te geven aan de wondere wereld van de viewmaster is weg: 'ik verdwijn niet meer in wat ik zie.' Daarvoor in de plaats komt nu een veel realistischer manier van kijken: Ik haal de laatste schijf eruit, kijk in het lege apparaat en zie: En daarmee, met die dubbele punt, of liever: met het niets dat erop volgt, eindigt het gedicht, en daarmee dus ook meteen de bundel. Het is een verrassend slot waarmee men nog vele kanten op kan. Het heeft wel iets van een geintje: de dichter die vlak voor zijn onthulling in de mist verdwijnt. Of van een pesterijtje: wie wil weten hoe het afloopt moet maar wachten tot zijn tweede bundel verschijnt. Maar er zit ook enige interne dramatiek in: afscheid van een jeugd, afscheid van een altijd oproepbare droomwereld, een dichter die meteen niets meer ziet als hij op eigen kracht en met eigen ogen om zich heen moet gaan kijken.

Het is ook mogelijk in dit beeld een verklaring achteraf te lezen van wat Woudsma in de voorgaande 31 gedichten heeft gedaan: kijken naar de wereld door een viewmaster zonder schijfje, met voor het lege toestel de functie van blikrichter, een voor de dichter noodzakelijk kader of omlijsting in het vele dat er te zien valt - en ook wel die van onbewuste buffer, die hem net als vroeger de veilige indruk kan geven dat hij niet werkelijk deel heeft aan wat hij ziet. Zo gelezen verwijzen de lege slotregels van de bundel terug naar het begin van het eerste gedicht, waar Woudsma meteen overvallen wordt door een vloed van dia's, maar dan zonder glas en zonder raampjes.

In 'Straat in Frankrijk' treft hij zichzelf aan op een zomers terras en zijn eerste waarneming is deze: 'Zittend, drinkend onder de arcade/ zie je twintig schilderijen van de straat.' Dat klinkt misschien kunstzinnig, echt zoals een schilder kijken kan, maar het verraadt ook al meteen afstand. Alles lijkt erop te wijzen dat de dichter zich daar, tussen de 'bonbons, bloemenwinkelgeur en marmeren frontons' gelukkig zou moeten voelen, maar Woudsma wordt wantrouwig van deze lege viewmasterwereld: 'alles is geluk' maar 'je mist, dwars door de zomerstilte heen, de zin/ van dit Arcadië.'

Dit is in veel opzichten een typerend gedicht voor Woudsma: rustige observatie, aanschouwelijkheid, de neiging de werkelijkheid als een schilderij of als een dia te ondergaan, maar tegelijk ook de wens om deze afstandelijke waarneming te doorbreken, de verrassende wending waarmee geluk aan leegte wordt gepaard, en ook: de grote aandacht voor de vorm. Hier gaat het om een sonnet waar tot in de kleinste details over nagedacht is: met 'Franse' rijmparen die elkaar in betekenis ook nog weer eens spiegelen (arcade - chocolade, bonbons - frontons), mooie tegenstellingen tussen octaaf en sextet, betekenisvolle enjambementen en een betekenisvol slotwoord: op 'open' rijmt 'slopen'.

Niet spectaculair, altijd precies en heel vaak verrassend: zo zou je deze bundel kunnen karakteriseren als het niet zo braaf klonk. Dat is een beetje het gevaar dat Woudsma bedreigt: zijn poëzie kan gemakkelijk versleten worden voor 'aardig' en 'klein', en dat dan bijvoorbeeld op grond van zijn aandacht voor het beslotene, intieme en kunstmatige, zoals dat in theetuinen, grasperken, kastelen en landhuizen te vinden is. 'Kleine wereld' is in dit verband een typerende titel, voor een gedicht over een wandeling in de mist, en dat geldt natuurlijk ook voor 'Madurodam'.

Maar net als bij Wilfred Smit, aan wie hij mij wel eens deed denken, schuilt er in zijn zorgvuldige arrangementen altijd iets levendigs, in de vorm van kleine ontregelingen, bijvoorbeeld van de hilarische soort. 'Buiten is echt anders' ontdekt iemand als hij zich eens daadwerkelijk de tuin in waagt, 'je krijgt een onverwachte tak in het gezicht' of 'de zachte tralies van de spin.' Of, al even precieus en humoristisch, deze waarschuwing aan het adres van de ouders van een eenjarige die binnenkort naar buiten zal willen: 'Straks wordt de tuin van spelen sleets.'

Er bevinden zich heel wat van dit soort licht absurde wendingen in Woudsma's poëzie, meestal op weinig opvallende plaatsen, als het ware tussen de regels van zijn gedichten door. In een hotel aan zee wordt 'kip, vers van het strand' besteld, en 'voor jou een zeehert'. In Bussum fietsen meisjes met sticks of met een cellokist naar huis: zo te zien niets bijzonders, ware het niet dat uit een korte toevoeging tussen haakjes blijkt dat de cellokist 'vol biefstuk' zit. In Barneveld is een openbaar toilet 'voor hen en haan'.

In een rustig babbelend portret van een familie in een saai Canadees dorpje staat opeens deze zin: 'Ann maakt in dit gedicht het eten klaar.' Uit zulke kleine toevoegingen ('in dit gedicht') blijkt dat Woudsma geen besloten stolpjespoëzie wil schrijven. Eerder ziet hij de stolp als schrikbeeld, danwel als een noodzakelijk kwaad.

Tegenover de kunstmatige indruk die zijn werk kan wekken staat het besef, al even onopvallend her en der geformuleerd, dat de wereld te groot is om te bevatten, te gevarieerd en te vol van indrukken. 'Alles is velerlei en spiegelt zich in iets'. En: 'Er is geen plek die onbelangrijk is.' En, opnieuw op een terras: 'Er is meer dan gezegd kan worden,/ zelfs als we alle snoeppapiertjes/ noemen, de auto's en kantoren,/ de koude wind, langs en door al die/ bomen, langs de mosterd op ons bord.'

Mosterd en het onuitsprekelijk vele: daartussen probeert Woudsma zijn lege viewmaster dan maar te richten en zijn plaatjes te schieten, in de wetenschap dat zijn onderneming in veel opzichten vergeefs zal zijn, want leidt tot kunstmatige voorstellingen waaraan hij nu juist probeert te ontkomen.

Een prachtig voorbeeld van deze weifelbeweging tussen kunst en werkelijkheid is 'Geheel verzorgd', waarin het leven wordt voorgesteld als een geheel verzorgde reis. Humoristisch en luguber tegelijk: op de tiende dag komt u langs 'een klein en dicht café/ waarlangs een olietanker vaart'.

Of, nog mooier, 'Thuis', geheel in amfibrachisch metrum geschreven, waarin het gaat om het gevoel dat ons na een vakantie kan overvallen bij de terugkeer in ons eigen huis: het gevoel een vreemdeling of indringer op vertrouwd terrein te zijn. 'Wij zetten de eigen TV aan en kijken,/ en houden ons aarzelend voor dat wij thuis zijn.' Dat is misschien nog wel het beste beeld voor de licht vervreemde blik waarmee Woudsma in zijn mooie debuut naar zichzelf en de wereld kijkt: die van een mens die te gast is in zijn eigen leven.

uit: Viewmaster

Geheel Verzorgd

De tiende dag, langs flats, voorbij de laatste HEMA, ziet u eerst een viaduct, daaronderdoor een houten dorpje zonder kerk, daarna loopt u de polder in. Blijf op de weg, die links en rechts door groene bomen wordt begrensd.

Aan 't eind een klein en dicht café waarlangs een olietanker vaart. U draait zich om en wordt in 't dorp gestoken door een wesp, u plukt een willekeurig blaadje, wrijft vergeefs, en dronken van geluk en pijn keert u naar huis terug.