Onze eeuw volgens Peter H⊘eg; Hoe de tijd verstrijkt in Denemarken

Peter H⊘eg: Voorstelling van de twintigste eeuw. Roman. Vertaald door Gerard Cruys. Meulenhoff, 378 blz. ƒ 49,90

Er zijn duizend motieven om te gaan schrijven, iemand kan talloze aanvechtingen krijgen, maar uiteindelijk is er maar één werkelijke reden: het verlangen de tijd stil te zetten en daardoor het spook dat vergankelijkheid heet te verslaan. Iedereen weet dat dat onmogelijk is. Daarom kenmerkt het streven daarnaar de intense, werkelijke schrijver.

De Deense auteur Peter H⊘eg (Kopenhagen, 1957) is zo'n schrijver.

Dertig jaar oud schreef hij zijn debuut, de omvangrijke, bewondering afdwingende roman Voorstelling van de twintigste eeuw van zo'n vierhonderd bladzijden. Zijn grote doorbraak kwam later met de thrillerachtige roman Smilla's gevoel voor sneeuw. Zoals altijd wanneer je van later werk via de achteruitkijkspiegel terugblikt naar eerder verschenen proza van dezelfde auteur zie je de overeenkomsten, de aanzetten, de bronnen waaruit geput is.

Het verbluffende van H⊘egs schrijverschap is zijn tomeloze drang tot het vertellen. Voorstelling van de twintigste eeuw bestaat uit talloze verhalen over mensen uit verschillende historische tijden, het ene verhaal na het andere met zwiepende vaart geschreven. In het 'Voorwoord' schrijft de auteur: 'Dit is de Geschiedenis van de Deense Dromen, het is het verslag van wat we in deze eeuw hebben gevreesd en gedroomd en gehoopt en verwacht. Ik heb mijn best gedaan het zo uitputtend en eenvoudig mogelijk te maken, en als argument om er überhaupt aan te beginnen noem ik hier twee gebeurtenissen.'

Hier is iemand aan het woord die met een pur sang retorische truc de lezer voor zich wil winnen. Zo hoort dat ook. De lezer moet weten welke moeite de auteur zich getroost heeft en wat hem tot het schrijven van zijn werk heeft aangespoord. Die twee gebeurtenissen zijn misschien futiel, in het grote bouwwerk van de roman zijn ze van doorslaggevende betekenis. Allereerst is er de vijfjarige jongen Carsten die in 1929 zijn vader Carl Laurids helpt met het in elkaar zetten van een machinegeweer. Het apparaat is zo groot, dat het in de zuilenzaal van Laurids' villa van muur tot muur reikt. De vader leert de zoon, terwijl deze door de cilinder van het vuurwapen kijkt, zich altijd om de toekomst te bekommeren en nooit om het verleden. De andere gebeurtenis heeft met het verlangen naar zuiverheid te maken. Een moeder, Anna, wordt gadegeslagen door haar dochter Maria. Anna is een bezeten schoonmaakster. Van de dorpsarts heeft ze een vergrootglas geleend en tot haar ontsteltenis ontdekt zij dat zelfs op pas gepoetste panelen zich een afgrond van microben bevindt. Iets is nooit schoon. Desondanks hervat ze elke dag haar Sysifos-arbeid.

De verhouding tussen vaders en zonen, moeders en dochters belicht H⊘eg in de zeven hoofdstukken waaruit zijn boek bestaat. Het eerste verhaal dat zich afspeelt op het landgoed M⊘rkh⊘j tussen 1520 en 1918 geeft al aan waar het H⊘eg om te doen is. Het stilzetten van de tijd. En daardoor het verleden dichterbij halen. Want als de klokken in het landgoed in 1520 zijn stilgezet, dan bestaat de tijd daar niet, en dan is het evengoed 1520 als 1918. De graaf die het landgoed bewoont zet op een goede dag de tijd stil; hij was 'nooit bijzonder geporteerd geweest van het verstrijken van de tijd en was dat vooral nu niet, nu hij in de gaten had dat de oude adel de grote verliezer van de nieuwe tijd zou worden'. Als om zijn eigen oude onverwoestbare tijd te beschermen laat de graaf een muur rond zijn landgoed bouwen. Zo bevindt hij zich als een slak in de diepste en laatste winding van zijn slakkenhuis.

Deze graaf is de eerste van een reeks romanpersonages die H⊘eg opvoert. Allen geloven ze op een aanstekelijke, lichtzinnige wijze in zelfbedrog. Natuurlijk weet de graaf dat de tijd verstrijkt, maar hij weigert zich door deze wetenschap te laten misleiden. Een ander hoogtepunt van H⊘egs karaktertekening is de figuur van Adonis, een ongrijpbare jongeman, verslaafd aan het theater. Bij een toneelvoorstelling moet hij elke avond, met een paar andere jongens, het blauwe lakendoek bewegen dat de zee voorstelt. Adonis geeft zich over aan de roes en de extase van het theater; H⊘eg weet die sfeer van achter de coulissen, waar toneelspelers hemelbestormende verlangens koesteren, prachtig te beschrijven: 'Elke avond genoot hij van de magische verandering die zich bij de acteurs en de toeschouwers voltrok, elke avond sloegen het alcoholisme, de hysterie, de geplande en ten uitvoer gebrachte zelfmoorden en het brutale egoïsme in hun tegendeel om en werden ze gedestilleerd tot tranen en uitroepen van vreugde, (...) zodat het enige wat je hoorde de sluipende toneelknechten waren, wanneer die op draagbaren de officieren afvoerden die van ontroering in zwijm waren gevallen bij de repliek: 'Wij zijn Denen, wij zullen Denen blijven.'

Moeiteloos wekt de schrijver een panopticum van verhaalpersonages tot leven die allen een bepaalde fase in de Deense geschiedenis symboliseren. Verbeeldde de graaf met zijn roestige ijzeren klokken de in maliënkolders vastgelopen middeleeuwen, Adonis vertegenwoordigt het laat-negentiende eeuwse leven aan de zelfkant. En elders in het boek staat aan het hoofd van een machtig krantenbedrijf een oude vrouw die, zonder dat ze zelf kan lezen of schrijven, toch de toekomst kan voorspellen in drukletters.

Hier is het of H⊘eg ons, degenen die de 21ste eeuw tegemoet gaan, waarschuwt voor de blinde macht die aan woorden toevertrouwd wordt. Een woord, daarin kan ook een groot gevaar schuilen. En natuurlijk kunnen woorden de lezer een feest van sensualiteit en lyriek geven, want H⊘eg is een schrijver die alles met de taal kan. Vertaler Gerard Cruys heeft H⊘egs roman in mooi en beeldend Nederlands weergegeven. Het barokke van H⊘eg is hem gelukkig niet vreemd, en als het economisch en precies moet zijn dan weet hij dat effect ook te bereiken.

De Denen zijn geweldige dromers, bestormers van de hemel. Die dromen spruiten voort uit vier verschillende bronnen: Het Exotische, Het Erotische, De Vrijheid en Het Paradijs. Alle lieden die in H⊘egs carrousel optreden en weer verdwijnen jagen een van deze staten der gelukzaligheid na. De alwetende verteller die in het boek aan het woord is laat er geen twijfel over bestaan dat de Denen rusteloze jagers zijn, voor wie niets anders bestaat dan hun eigen land: Denemarken. Ze geloven dat Denemarken de navel is van de wereld.

H⊘eg zelf troont hoog boven zijn roman. Zo'n auctoriaal vertellersperspectief is een zeldzaamheid voor iemand die zijn eerste boek aflevert. Het getuigt ook van zijn grootheid als schrijver. Nergens komen we puberteits- of adolescententoestanden tegen die zoveel debuten kenmerken. Hier is meteen een volwassen schrijver aan het woord die een groot verlangen heeft de mensheid te doorgronden. Hij wil weten hoe ontmoetingen tot stand komen die wij geneigd zijn 'toevallig' te noemen. Zo komt Adonis zijn grote geliefde Anna tegen, en H⊘eg schrijft daarover: 'Zij waren ervan overtuigd dat ze (hun ontmoeting, KF) op de een of andere manier was gepland, voorbeschikt, in scène gezet, en dat is een verleidelijke gedachte. Net als Adonis en Anna hebben ook wij behoefte aan het geloof in een diepere zin of in elk geval de mogelijkheid van een totaal ongebruikelijke samenloop van omstandigheden, maar dat is helaas onmogelijk.'

De metafoor van het theater doortrekt vele bladzijden van dit wonderlijk rijke, ontroerende boek. In H⊘egs theater van de twintigste eeuw, de plek waar tijd tot stilstand komt en de ruimte als symbool geldt voor de wereld, vervelen we ons geen moment. Personages dolen door de tijd heen en verklaren zich handlangers van een eeuw die vlak voordat ze voorbij gaat nog even flitsend als vuurwerk tot leven komt.

    • Kester Freriks