Nieuwe permanente schrijverstentoonstelling in het Letterkundig Museum; Het dorp der letteren

Het Letterkundig Museum heeft sinds gisteren, 'in het ravijn onder het Kinderboekenmuseum', een nieuwe permanente tentoonstelling, met filmpjes, geluid, rare spullen en meer jonge schrijvers.

Gaan waar de woorden gaan. Permanente tentoonstelling in het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Prins Willem Alexanderhof 5, Den Haag. Openingstijden di t/m vr 10-17 uur, weekend en feestdagen 12-17 uur

'Hoe zou ze wezen om mee uit te gaan?' luidt een krabbeltje op het beoordelingsvel dat de redacteuren van het literaire tijdschrift Criterium elkaar een halve eeuw geleden toestuurden ter begeleiding van de ingezonden bijdragen. Het aanstrepen of doorhalen van de voorgedrukte woorden VOOR of TEGEN volstond, maar elkeen kon in beperkte ruimte bovendien een opmerking noteren. Het prozafragment en de twee gedichten waaruit de kopij van Mej. Elly Vermeulen bestond, haalden publicatie in Criterium niet.

Hetzelfde jaar, 1947, besliste de redactie wel positief over de verzen van M. Vasalis en over een prozafragment getiteld De Avonden van Simon van het Reve. Zíj hebben een plek toebedeeld gekregen op de nieuwe permanente tentoonstelling van het Letterkundig Museum in Den Haag, evenals de redacteur van de jolige aantekening, wiens initialen WFH toen nog niet alom bekend waren. De door Hermans afgewezen mejuffrouw Vermeulen is vereeuwigd als figurant in de periferie van de Nederlandse letteren.

Bijna tweehonderd hoofdpersonen, van Bertus Aafjes - al zestig jaar aanvoerder van het literaire alfabet in Nederland - tot Joost Zwagerman, zijn bijgezet in de Hollandse Hall of Fame, die zich over 538 vierkante meter uitstrekt in het ravijn onder het Kinderboekenmuseum. Wie zich over de reling buigt - en een enkel kind zal dat misschien doen, nieuwsgierig naar de lokkende verten van de volwassen literatuur - ziet een baaierd van kleurvlakken. Maisgeel naast turkoois, purper tegenover porseleinblauw, Stijlkleuren afgewisseld met Bommelkleuren. Schilderijen en prenten aan de wanden en strategisch geplaatste standbeelden plus voorwerpen in glazen kubussen op consoles trekken om beurten de aandacht.

Als de tentoonstelling 'Gaan waar de woorden gaan' op volle toeren draait, floepen lampjes aan, klinken stemmen en geluiden op, schuiven film- en videobeelden voorbij. Men waant zich boven het domein van een maniakale verzamelaar, een kermisterrein in gedempt licht, waarvan de attracties worden aangeprezen met wervende teksten als: 'Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht' of 'Wilt u de totale poëzie?'

Hoe dichter men de caleidoscoop nadert des te groter wordt de aantrekkingskracht van de paar duizend bezienswaardigheden die, verdeeld over steegjes en pleintjes, eilandjes en hoekjes, de aankleding van dit schrijversdorp vormen. Een aankleding zo kleurig en divers als het assortiment van een rijk gesorteerde fourniturenzaak: het garen en band voor een geslaagd schrijverschap lijken hier bijeen vergaard, inclusief de toevallige accessoires die de garderobe vervolmaken. Een stukje rits van Jan Wolkers. Tot op de puntjes afgeslepen krijtjes van Willem Bilderdijk. Breed uitwaaierende dossierkaartjes waarop Nelleke Noordervliet haar geheugen steunt. Smalle penseeltjes met aan de toppen de tinten van Olivier B. Bommel en Tom Poes. Fijnmazig geknipte huisvlijt van de 11-jarige Betje Wolff. Hier kijkt men in de keuken van schrijver en dichter, een keer zelfs letterlijk, bij de in vrolijke Cobrakleuren beschilderde ijskast van Jan G. Elburg.

Wolkenkrabber

De reiziger in dit dorp der letteren kan de chronologische route volgen. Te beginnen in het midden van de achttiende eeuw bij Belle van Zuylen en eindigend in het heden bij een staketsel als een wolkenkrabber, bevolkt door onder anderen Giphart en Palmen, Grunberg en Landvreugd, Bordewijkse namen die nog niet bezonken zijn in de literatuurgeschiedenis, voor wie nog geen standbeeld is opgericht, zoals dat wel gebeurde voor Louis Couperus, wiens buste meer dan levensgroot boven de bezoeker uittorent.

Het is verleidelijk om af te wijken van het parcours. Geleid door eigen voorkeur of op goed geluk. Van het enthousiaste Criterium-oordeel over Simon van het Reve dadelijk door naar het manuscript van De Avonden, bijvoorbeeld. Om te kunnen constateren wat een effect een simpele doorhaling heeft: De Winteravonden staat er boven de eerste pagina van de beroemde roman; alsof je het beslissende moment van vijftig jaar geleden bijwoont.

Een still uit de verfilming prijkt als aanjager op het affiche: acteur Thom Hoffman als Frits van Egters. Het lijkt op heiligschennis. “We hadden de keuze tussen een correct of een pakkend beeld. We besloten tot het laatste”, zegt adjunct-directeur Aad Meinderts, die samen met de conservatoren Theo Bijvoet, Charlotte de Kloet en Erna Staal verantwoordelijk is voor de selectie van de auteurs en hun uitgestalde materiaal.

Het Letterkundig Museum moet net als andere gesubsidieerde kunstinstellingen op last van het ministerie van OCW een publieksvriendelijke politiek voeren. Tot 2001, de termijn van het huidige Kunstenplan, dienen jaarlijks 36.000 literatuurliefhebbers de gang naar de woorden te maken, verdeeld over de twee permanente tentoonstellingen en de tijdelijke exposities. Dat is bijna 45 procent meer dan de 25 duizend beoogde bezoekers van voorheen. Vandaar dat het museum nu 'rekening houdt met de verwachtingen van de bezoekers', aldus Anton Korteweg, dichter met - sinds 1979 - emplooi als hoofdconservator. “De eerste permanente tentoonstelling voldeed, totdat een paar jaar geleden het Kinderboekenmuseum werd geopend. Die bleek veel leuker, aantrekkelijker en intiemer te zijn.”

Voor Korteweg zelf, die in 1971 debuteerde met de bundel Niks geen Romantic Agony, is geen vitrine weggelegd. Voor goed gelezen, gelauwerde, verfilmde en verkopende schrijvers onder wie Mulisch, Hermans, Reve, Haasse, Wolkers, Minco, Kouwenaar, Bernlef wel. Maar Elisabeth Eybers, P.C. Hooftprijswinnares 1991, ontbreekt: de slagboom van het Nederlands taalgebied is dichtgeklapt; Elsschot en Boon niet, Claus wel, als Vijftiger. Het aantal gepresenteerde auteurs scheelt niet veel met dat van de vorige opstelling, maar er is een flinke wisseling van de wacht geschied, ten faveure van jongere - aansprekende - auteurs. In de afvalrace vielen, om een boekenkastrijtje uit de 70 slachtoffers te maken: Arends, Belcampo, Blaman, Brakman, Daum, Debrot, Emmens, J.I. de Haan, Hillenius, Kossmann, Michaelis, Van Oudshoorn, Terborgh.

Handschriftenfreak

De nieuwe opzet, ontworpen door Marcel Prins, die ook de inrichting van het Kinderboekenmuseum verzorgde, moest geschikt zijn voor zowel de 'handschriftenfreak als de globale museumbezoeker'. De een zal, volgens Meinderts, 'geroerd raken door de historische sensatie zelf aanwezig te zijn bij de schepping van een roman' en de ander komt af op de waarde van De Avonden: het museum telde immers 160 duizend gulden neer om in het bezit te komen van het manuscript.

Louis Couperus, in geldnood, stuurde uit Florence zijn uitgever in Nederland het verzoek 'om een sommetje van 100 cheque of Holl. bankpapier per aangeteekenden brief'. Het briefje heeft, net als de huwelijksinvitatie, net als de foto's waarop Couperus en zijn latere vrouw Elisabeth Baud als kinderen in Batavia op een verkleedpartij vereeuwigd zijn, de waarde die de beschouwer er in legt. Die waarde valt niet in geld uit te drukken. De cameraman van het Polygoon Journaal die Couperus in 1923 filmde, kon niet weten hoe uniek zijn opname was. De confrontatie van Couperus-biograaf F.L. Bastet met het historische filmpje enige jaren geleden voor het televisieprogramma Atlantis kan met een druk op de knop worden bekeken.

Geen kunsttak behoeft minder illustratie dan de literatuur - de lezer legt zijn eigen plaatjesalbum aan en proeft zelf de geuren en smaken die de auteur opdient. Toch geeft het filmpje de illusie dat je eventjes dichterbij bent gekomen. Van het geluid- en beeldmateriaal zijn de scènes uit verfilmde boeken en de voordrachten van anderen daarom minder toepasselijk dan de gesprekken met Martinus Nijhoff en Gerrit Achterberg, de bewegende beelden van Lodewijk van Deyssel en Frederik van Eeden. In de rode hoek van het maatschappelijk engagement klinkt een toespraak van Henriëtte Roland Holst. Verderop leest Adriaan 'Jany' Roland Holst voor uit eigen werk. Al luisterend dwaalt je oog af van het handschrift van Vuur in sneeuw ('zijn eigen dood was om het even, / het vuur sloeg uit de sneeuw, hij wist / opeens de zin weer van het leven: / overal eeuwig, nergens oud. - /') naar het vorstelijke portret door Carel Willink, waarop je elke tricotsteek van de zandkleurige polo kunt tellen. Op een andere manier veelbetekenend is de foto van de Prins der Dichters die in zijn serre in Bergen de 36 jaar jongere Keizer der Vijftigers, Lucebert, een borrel inschenkt. Hij was toen, zoals zovele oudere dichters, onttroond door de met veel gekrakeel gepaard gaande opmars van de nieuwe dichtersstroming.

Ook in het straatje der Vijftigers, aangekleed met de schrootjesbetimmering van een koude kunstenaarszolder, klinken stemmen. Foto's van vrolijke taferelen tekenen de tijd; er hangt nog net geen dranklucht en sigarettenwalm. Een collage van krantenartikelen, met als middelpunt de beruchte, driedelige aanval van Aafjes ('de S.S. is de poëzie binnengemarcheerd', Elsevier juni 1953), geeft de toenmalige ontvangst aan.

Niet elders op de tentoonstelling heerst de beeldende kunst zo over de letteren als hier. De handschriften liggen per dichter verstopt in de laden van een schilderskast en aan de schotten prijken naast bijzondere schilderijen de hoogstaande bibliofiele drukjes van gedichten die in hechte samenwerking met de schilders tot stand kwamen, zoals - het later felbegeerde - Goedemorgen Haan van Gerrit Kouwenaar en Constant Nieuwenhuys uit 1949.

De collectie schrijversportretten uit eigen bezit is aangevuld met bruiklenen van andere musea en particulieren. Uit het Stedelijk Museum in Amsterdam komt het indrukwekkende, manshoge portret dat Jan Veth van Albert Verwey maakte in 1885, het jaar dat de Tachtigers De Nieuwe Gids oprichtten. Ongestoord door de grote breuk in hun vriendschap hangt hij vlakbij Antoon van Welie's portret van Kloos uit 1934.

Minstens zo aantrekkelijk als de talloze schrijversbeeltenissen zijn de kunstwerken die de auteurs zelf nalieten, van bescheiden droedels waarmee in de kantlijn naar inspiratie wordt gezocht tot museumstukken. Het volstrekt ontbreken van eenheid van stijl werkt verademend. Een prachtige grijsgetinte Wolkers uit midden jaren vijftig, hoog boven zijn vitrine opgehangen, onbereikbaar voor vingers die de neiging hebben over de uitstulpende vakjes te gaan. Bilderdijks briefrebussen in een fijn pennetje en zijn trompe l'oeuil van haast tastbare voorwerpen op een minutieus nageschilderde houten ondergrond, een galerij geestige scènes van J.J. Cremer, en in het ongelinieerde aantekenboek van Leo Vroman een hand die een (aan)tekenboek beroert, met als tekst eronder: 'Het aanraken van de woorden waar ik nooit aan wen'.

Interpunctie

Dagen kunnen zoekraken met het bekijken van alle (ego)documenten. Gebogen over de vitrines, waarin bij nadering het leeslicht aanfloept, aanschouwt de bezoeker het handwerk van de auteur. De een broedt op een andere zinswending, een synoniem. De volgende maakt gewoon weinig woorden vuil, zoals Slauerhoff, die in 1935 vanaf de ss Venezuela in zijn doktershanepoot een briefkaart schrijft met de tekst: 'niet veel nieuws, rustige reis tot nog toe vrij slecht weer'. Hoort er een komma achter reis of achter toe? Slauerhoff stond bekend om zijn gebrekkige interpunctie.

Duidelijke, grote letters hanteert die andere arts, Frederik van Eeden. Alleen al het vergelijken van de handschriften kost uren. Sierlijk en evenwichtig is het schrift van Boutens, maar eleganter nog laat Marten Toonder de Markies de Canteclaer 'loom raagt een vale gloor' neerpennen. Stevig, maar op de bladspiegel steevast afdalend schrijft J.H. Leopold. Vrijwel onleesbaar zijn de hiëroglyfen van Oek de Jong. Zwagerman gebruikt groene vellen, naar verluidt uit angst voor het witte papier. Van Dis houdt van ruitjesblocnotes met een soepele zwarte kaft. Bordewijk noteert Noorderlicht in een ongelinieerd schrift. Dan zijn er de getuigenissen van het gezwoeg dat aan publicatie voorafgaat: heel veel geklieder in het manuscript van Margriet de Moor, kleine volgekriebelde blocnotevelletjes bij Leon de Winter, en als hoogtepunt een typoscript van Gerrit Krol, dat bestaat uit los gescheurde of geknipte reepjes tekst, die weer aan elkaar zijn geplakt en vervolgens met dik viltstift en pen werden verbeterd. Een floppy disc van Marcel Möring ligt, als vileine voorbode van een toekomstig museum, op een lapje fluweel. Zover is het overigens nog lang niet. De Haagse archieven bevatten ontelbare papieren documenten.

Is de tentoonstelling van nu een afspiegeling van de literatuur? Je ziet Willem Kloos weliswaar niet aan zijn bureau zitten, Lucebert niet voor zijn ezel staan, Jan Hanlo niet op zijn motor rijden. Maar de intentie is er, doordat het bureau er staat vol voorwerpen die Kloos om zich heen had liggen, door de ezel waarop een schilderij van Lucebert rust en vanwege de motorhelm die Hanlo droeg. De authentieke attributen suggereren een nabijheid van de dichters.

Het gewicht van de associatie weegt zwaar: een kleurenfoto van Carel Schneider/F. Springer, diplomatiek neigend voor de sjah van Perzië, beiden in vol ornaat, krijgt betekenis door zijn roman Teheran, een zwanezang.

Het Letterkundig Museum is 'geen kunstmuseum, gedichten noch romans lenen zich voor uitstalling', verklaart directeur Korteweg. Was hij voorheen 'streng in de leer', de nieuwe expositie moest sfeer en dramatiek krijgen. Hoewel de tekst nog altijd heilig is, mocht er van alles omheen getoond worden. Vandaar de schrijversparafernalia die worden gepresenteerd als betreft het kostbaarheden.

In een glazen omhulsel op sokkel staat een robuuste zilverkleurige Nilfisk. Met een druk op de knop klinkt een aantal seconden stofzuigergeluid, waardoor men zich kan voorstellen wat Vestdijk hoorde, of liever gezegd, niet hoorde omdat hij bij het sonore gezoem kennelijk ongestoord kon werken. Het onbenullige apparaat contrasteert nogal met de bijzondere documenten in de vitrine.

De voorwerpen die de dichter, de schrijfster benutten om aan het werk te gaan en te blijven, zoals het inktstel met het uilenkopje dat dichteres Hélène Swarth toebehoorde, doen sympatieker aan dan Vestdijks stofzuiger, Slauerhoffs lamp. Ontroerend zelfs, als je stilstaat bij het medaillon op het bureau van Kloos waarin een bloemetje is opgeborgen van het graf van Shelley. Vooral wanneer er een gedicht bijligt dat de relatie verklaart, duidt het voorwerp de dichter. Zoals de pijp van Jacques Perk. Die ligt namelijk niet in het boudoir van de Tachtigers, maar bij de ready-made die K. Schippers er over schreef toen hij het voorwerp had gezien. De ontboezeming 'wat zou ik graag een keertje roken / uit die pijp van mijn dode oud-stadgenoot' is voelbaar.

Uiteindelijk gaat het om wat er geschreven is en hoe dat in z'n werk ging. Tenminste zo werd de taak van het museum in 1953 geformuleerd in het eerste jaarverslag: 'letterkundige documenten, zoals handschriften, brieven, portretten van schrijvers e.d., van de ondergang te behoeden, verdere verspreiding van dit cultuurbezit tegen te gaan en de bestudering van onze letterkundige geschiedenis te vergemakkelijken'.

Het pistool van Achterberg ontbreekt (uiteraard) in de collectie, maar niet zijn versregels die op het noodlottige schot vooruitgaan. Het opzienbarende doet zich immers voor op papier; een goed schrijver heeft geen gummetje nodig om te blijven, alleen om te schrijven.

Zo bezien passen schrijvers niet in een museum, opgeprikt achter glas, waar hun verzen en verhalen de intimiteit ontberen van één paar aandachtige ogen. Schrijvers horen in de boekenkast thuis, rug aan rug netjes naast elkaar met hun gezicht naar de muur, gerangschikt als kleurig streepjesbehang, zodat hun eigenaar hen op elk gewenst moment blindelings terug weet te vinden.

De Haagse tentoonstelling werkt op de bezoeker als een toeristische gids op bekend verondersteld gebied. Ze is geschikt voor iedereen die het glazen muiltje van Assepoester, boven in het Kinderboekenmuseum, nog altijd prachtig vindt, al is hij het lang geleden ontgroeid.

    • Jessica Voeten