Nieuw islam-instituut al betwist

Een nieuw op te richten universitair instituut voor islam-studies moet een onafhankelijke denktank worden. Maar in universitaire kring is al ruzie over de status ervan.

JAKARTA, 28 NOV. De opleving van de islam in grote delen van de wereld, de toegenomen internationalisering en de immigratie van mensen uit islamitische landen in Nederland heeft geleid tot een grotere vraag om informatie over de islamitische wereld bij overheid en bedrijfsleven. Om tegemoet te komen aan die vraag zal minister Ritzen (Onderwijs en Wetenschappen) binnenkort officieel toestemming geven aan universiteiten in Amsterdam, Utrecht en Leiden voor de oprichting van een expertisecentrum gericht op de hedendaagse islamitische wereld.

Behalve de beleidsmatige vraag naar kennis omtrent de islam bestaan er volgens de initiator van het centrum, de antropoloog J. Vredenbregt, ook puur wetenschappelijke motieven voor de oprichting van het Institute for Contemporary Islam Studies in Nederland. De oprichting van deze instelling komt volgens hem voort uit “de nieuwe aandacht voor Azië-studies”. Die ontstond enige jaren geleden nadat prof. F. Staal op verzoek van de toenmalige minister van Onderwijs en Wetenschappen een rapport schreef over de zogeheten kleine letteren, zegt Vredenbregt. “Daarbij gaat het om de bestudering van de talen en culturen van de meest uiteenlopende landen in Azië.” Omdat bij deze studies over het algemeen sprake is van geringe studentenaantallen moest een alternatieve manier bedacht worden om deze bijzondere vakgebieden te financieren. Een van de tastbare resultaten van de rapportage van Staal, in de wandeling Baby Krishna genoemd, was de oprichting van het International Institute for Asian Studies (IIAS) in Leiden. Vredenbregt: “Sindsdien is er dus meer gerichte aandacht voor de islam in Azië. Maar het nabije of Midden-Oosten viel hier buiten, omdat westerse geleerden gewoon zijn Azië vaak op volstrekt willekeurige wijze in stukjes te snijden. Eigenlijk hoort er sprake te zijn van continuïteit en dat is het geval bij dit nieuwe instituut.”

Volgens het voorstel van Vredenbregt zou het instituut zich moeten richten op een breed spectrum van hedendaagse islamitische landen, variërend van politieke, economische, antropologische en sociologische aspecten. In beginsel zullen de Universiteit van Amsterdam, de Rijksuniversiteit Leiden en de Universiteit Utrecht in onderlinge samenwerking het instituut oprichten. Deze universiteiten houden zich al langer bezig met het bestuderen van de islam.

De nieuwe instelling begint met een budget van zes miljoen gulden per jaar en zal in totaal ongeveer acht hoogleraren aantrekken. “Daarbij richten we ons op internationaal erkende experts afkomstig van universiteiten waar ook ter wereld. Bij de selectie van de wetenschappelijke staf zal worden uitgegaan van dezelfde principes die grote universiteiten van internationale allure hanteren. Dus niet volgens het gebruik aan minder goede universiteiten om vooral vriendjes en eigen studenten te recruteren”, zegt Vredenbregt.

Sommige Nederlandse oriëntalisten zijn echter van mening dat de bestaande vakgroepen aan de universiteiten heel goed in staat zijn een dergelijk instituut op te zetten. Bovendien vrezen zij dat het geld nodig om de nieuwe instelling op te richten bij hun budgetten zal worden weggehaald. Als laatste argument tegen het door Ritzen gewenste topinstituut werd aangevoerd dat het meer bezig zal zijn met beleid dan met wetenschap en dus aan de leiband van de politiek zal lopen.

Vredenbregt wuift al deze bezwaren weg. “Voor wat betreft de financiën is alle vrees ongegrond.” Het geld voor het nieuwe onderzoekscentrum is afkomstig van de deelnemende universiteiten, maar ook van de ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en Buitenlandse Zaken. Daarnaast zal ook de stichting Nederlands Wetenschappelijk Onderzoek bijdragen leveren. Het nieuwe islam-centrum komt naast de huidige infrastructuur op het gebied van de oriëntalistiek. Vredenbregt: “Het onderwerp van onderzoek, de hedendaagse islamitische wereld, is anders dan wat tot nu toe gebruikelijk is aan de Nederlandse universiteiten, waar bijvoorbeeld onderzoek wordt gedaan naar de verbanden tussen Aristoteles en de Koran, om maar iets te noemen. Wat niet wegneemt dat het islam-centrum, als de vraag zich voordoet, te rade kan gaan bij specialisten die verbonden zijn aan andere universiteiten.”

Terwijl het instituut een volwaardige wetenschappelijke instelling moet worden waar promovendi uit de hele wereld worden opgeleid, moet de instelling vooral ook functioneren als denktank op het gebied van de hedendaagse islam voor overheden, beleidsmakers en bedrijven. “Door het toegenomen aantal immigranten uit islamitische landen in Nederland, maar ook door de voortschrijdende internationalisering gecombineerd met het gegeven dat er sprake is van een opleving van de islam in vele delen van de wereld, worden vertegenwoordigers van de overheid en mensen uit het bedrijfsleven vaker geconfronteerd met de specifieke denkwereld van de islam,” stelt Vredenbregt, Het instituut moet antwoord geven op de vragen die daarbij rijzen. Als voorbeeld noemt de antropoloog het terrein van het recht. “Het komt voor dat moslims afkomstig uit het Middellandse Zee-gebied in aanraking komen met justitie en gebruiken uit de eigen cultuur als verzachtende omstandigheid proberen aan te voeren. In zo'n geval is het voor de rechter zaak exact op de hoogte te zijn van wetten en gebruiken in het betreffende land.”

Als ander voorbeeld noemt Vredenbregt het opduiken van zogeheten moslimbroederschappen in veel islamitische landen. “Wanneer bij gevolg iets dergelijks ook gebeurt in Nederland, is het voor overheden van belang precies te weten wat de aard en bedoeling is van dergelijke organisaties. En aangezien dit nieuwe instituut vooral ook een onderzoeksinstelling is, kan wetenschappelijk verantwoord onderzoek klaarheid brengen in dergelijke zaken.”