M.I. Finley: The World of Odysseus, 1954

M.I. Finley: The World of Odysseus. Viking, 1954. (niet meer leverbaar)

Wie is opgegroeid met het traditioneel-gymnasiale beeld van de oude Grieken - filosoferende kunstliefhebbers die de westerse beschaving zo ongeveer hebben uitgevonden - zal nog steeds even moeten slikken bij het zien van Pier Paolo Pasolini's Medea (1970). Voor zijn filmbewerking van het gelijknamige toneelstuk van Euripides trok de regisseur van Il vangelo secondo Matteo en Edipo re naar het woeste Cappadocië, waar hij de plaatselijke bevolking recruteerde als figuranten. Pasolini schetste Euripides' Kolchis als een tribale samenleving, ongeremd in passies en gedomineerd door primitieve rituelen. Zijn hoofdrolspeelster Maria Callas speelde een (praktisch zwijgende!) tovenares waaraan niets westers te ontdekken was. 'Medea zou heel goed een verhaal kunnen zijn uit de Derde Wereld', verklaarde Pasolini later. 'Van een Afrikaanse stam bijvoorbeeld.'

Of Pasolini zich er ooit over uitgelaten heeft weet ik niet, maar zijn beeld van de oude Grieken als halfgeciviliseerde boeren leunde zwaar op twee baanbrekende historische studies uit de jaren vijftig: E.R. Dodds' The Greek and the Irrational (1951, eerder besproken in deze rubriek) en M.I. Finley's The World of Odysseus (1954). In beide boeken werden archaïsch en klassiek Griekenland beschreven als deels primitieve samenlevingen die meer gemeen hadden met sommige door antropologen bestudeerde niet-westerse culturen dan met de beschaving waarvan ze zogenaamd de bakermat waren. Dat was vloeken in de tempel, want in de jaren vijftig zagen de meeste classici Plato en Euripides nog als hun eigen zielsverwanten, als dode vrienden die niet wezenlijk verschilden van hun twintigste-eeuwse tegenhangers.

Bij Dodds was het Griekenland van Homeros tot Aristoteles een cultuur van sjamanen, droomuitleggers, bijgeloof en vruchtbaarheidsrituelen. Bij de Engelse Amerikaan Finley, die zich in zijn boek beperkte tot de late prehistorie (10e-9e eeuw vC), was de door Homeros verheerlijkte 'wereld van Odysseus' een verzameling van kleine tribale gemeenschappen: een rijke edelman stond aan het hoofd van een simpel kastenstelsel, familiebanden en verwantschap waren allesoverheersend, en het economisch 'systeem' was gebaseerd op zelfvoorziening en een beetje ruilhandel in de vorm van geschenkenuitwisseling (uitentreuren bezongen in de Ilias en Odyssee). Status en eer, eventueel vergroot in korte plunderoorlogen tegen de buren (raids), waren de voornaamste drijfveren van de homerische helden, of ze nu Odysseus, Menelaos of Agamemnon heetten.

Finley ging Homeros met sociologische en antropologische analyses te lijf. Hij gebruikte de homerische epen - de zevende-eeuwse optekening van oude sagen die van oudsher door rondtrekkende barden waren verdicht - als historische bron voor de periode 1000-800, die wegens het gebrek aan bronnenmateriaal bekend stond als de 'early Dark Age of Greek history'. En juist dat was het revolutionaire van The World of Odysseus. Vóór 1954 heersten er onder classici grofweg twee meningen over de historische betrouwbaarheid van de Ilias en de Odyssee. De rekkelijken, die zich gesteund zagen door de archeologische opgravingen bij 'Troje' in Klein-Azië, geloofden dat de epen in essentie de Mykeense cultuur (14e-12e eeuw vC) weerspiegelden; de preciezen stelden dat Homeros überhaupt geen historische waarde had - hij was immers geen oorlogscorrespondent (zoals Heinrich Schliemann beweerd had) maar een scheppend kunstenaar.

Moses Finley (1912-1986), opgeleid als historicus en jurist en niet als classicus, bewandelde de derde weg. Hij gaf toe dat de Ilias en de Odyssee wemelden van de inconsequenties en anachronismen, maar betoogde dat ze niettemin een historische kern hadden. Op basis van een analyse van de 'staatsinrichting' en het waardensysteem in de epen, concludeerde hij dat de schriftloze homerische samenleving compleet verschilde van de uit kleitabletten bekende Mykeense cultuur en ook van de tijd van Homeros (die, als hij al bestaan had, in de achtste eeuw moest hebben geleefd). En de archeologie onderbouwde zijn stelling: de bronzen drievoetsketels waar de homerische helden voortdurend mee rondsleepten, waren in de Mykeense tijd zeer zeldzaam; de architectuur van de huizen verschilde nogal van die in de achtste eeuw; en, nog overtuigender, de Grieken cremeerden hun doden alleen in de periode 1050-850. In de Mykeense tijd of archaïsch Griekenland zou Patroklos niet met pomp and circumstance op de brandstapel zijn gelegd, maar onder de grond zijn gestopt.

En passant schopte Finley in The World of Odysseus ook nog aan tegen een andere uitwas van de klassieke filologie: het gebruik van taalkundige argumenten, van losse woorden en zinnen, om te bewijzen dat er continuïteit in de (Griekse) geschiedenis zit. Gevaarlijke onzin, zei Finley, want dat een woord in meerdere perioden voorkomt, betekent niet dat daarmee ook hetzelfde wordt aangeduid. Grieks was de taal van zeer verschillende opeenvolgende culturen, van de Mykeense tot de Hellenistische en verder. Een basileus (koning) in de twaalfde eeuw was iets heel anders dan een basileus in de tijd van Homeros. Daarbij mag je nooit conclusies trekken op basis van losse vondsten: 'no argument may legitimately be drawn from a single line or passage or usage. Only the patterns, the persistent statements have any standing.'

Finley's afwijzing van de etymologie als historisch bewijsmiddel was misschien gericht aan dovemansoren van avonturiers als Iman Wilkens, die 35 jaar later de strijd bij Troje zou verplaatsen naar het Engelse Cambridge (waar de voor McCarthy's communistenjacht gevluchte Finley vanaf 1955 doceerde). Maar door ieder ander wordt Finley beschouwd als de grondlegger van de moderne oudhistorische wetenschap. Zijn pleidooi voor de structurele bestudering van de antieke samenlevingen en het toepassen van methoden en technieken uit de sociologie (Marx en Weber) en de antropologie (Karl Polyani), was van verpletterende invloed - alleen al doordat hij zo toegankelijk schreef. Niet alleen The World of Odysseus (praktisch zonder noten) maar ook een studie als Ancient Slavery and Modern Ideology (1980) leest als een spannend boek. Zijn werk werd in vele landen vertaald en is in zijn geheel in Pelican-pocket verschenen.

Zijn hele leven onderstreepte Finley het unieke (of liever het fundamenteel onmoderne en onwesterse) van de antieke samenlevingen. In de wetenschap vond dat navolging, in de literatuur niet. Ook na 1954 werden in historische romans over de oudheid - van Henry Treece tot Norman Mailer tot Pim Wiersinga (Gracchanten) - de antieken voorgesteld als mensen die alleen in kleding en materiële cultuur van ons verschillen.

Het is dan ook ironisch dat op de achterflap van de Pelican-editie van The World of Odysseus een bewonderend citaat is afgedrukt van de Britse schrijfster Mary Renault. In haar romans, of ze nu de wereld van Theseus of die van Alexander de Grote beschrijven, komt geen Griek voor die je niet bij Witteman of Binnendijk zou kunnen tegenkomen.