Martin Heidegger vertaald; De sprong van het denken

Martin Heidegger: Inleiding in de metafysica. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door M.H. Berghs in samenwerking met M. De Tollenaere. SUN, 239 blz. ƒ 34,50

Martin Heidegger: De spreuk van Anaximander. Inleiding en commentaar prof.dr. J. Kockelmans. Vertaald door G.H. Buijsen. Universitaire Pers Leuven/Van Gorcum, 152 blz. ƒ 47,50

Martin Heidegger hield van skiën. Zijn levendigste ervaringen van de 'aanwezigheid van het Zijn' waren hem ten deel gevallen in de sneeuw tijdens het skiën, bekende hij in 1945, vlak na het einde van de oorlog, aan een Franse bezoeker. Doel van diens bezoek was een ontmoeting te arrangeren met Jean-Paul Sartre. Heidegger stemde toe, maar echt zin kreeg hij er pas in na uit een passage in L'être et le néant te hebben geconcludeerd dat ook Sartre een ervaren skiër moest zijn. Simone de Beauvoir werd als eerste op de hoogte gesteld en zij zou de boodschap in café Flore met de volgende woorden aan haar vriend hebben overgebracht: 'Heidegger nodigt je uit om met hem op de ski te filosoferen in het Zwarte Woud.'

Van de geplande ontmoeting is in 1945 niets gekomen. Of de beide wijsgeren daadwerkelijk de ski's zouden hebben ondergebonden, moet dus altijd een vraag blijven. Maar het voornemen is tekenend voor Heideggers onconventionele instelling. Niet veel Duitse filosofieprofessoren zullen destijds hun vak met wintersport in verband hebben gebracht. Binnen het universitaire milieu, met zijn burgerlijk decorum en zijn indrukwekkende geleerdheid, was Heidegger in meer dan één opzicht anders.

Martin Heidegger (1889-1976) was de zoon van een eenvoudige kuiper uit Messkirch die met steun van de kerk had kunnen studeren en ten slotte in Marburg en vervolgens Freiburg hoogleraar was geworden. Zijn colleges weken van meet af aan af van wat men gewend was, en dat niet alleen door de wonderlijke quasi-rurale kledij waarin de professor zich placht te steken. Voor de studenten moeten ze een belevenis zijn geweest. 'Het was alsof een reusachtige bliksemschicht de duistere en bewolkte hemel openscheurde (...) In een bijna pijnlijk helder licht lagen daar de dingen van de wereld open en bloot', wist een van hen zich later te herinneren.

Spook

Inmiddels leven we meer dan een halve eeuw later en is Heidegger, met Wittgenstein, de meest becommentarieerde filosoof van de twintigste eeuw geworden. Bij zoveel academische koestering is het een niet geringe prestatie om toch nog omstreden te blijven. Heidegger is het gelukt. Uiteraard heeft zijn nazi-engagement als rector van de universiteit van Freiburg in 1933-1934 daarbij een handje geholpen, maar ook zonder deze 'grote domheid' geldt hij nog altijd als een steen des aanstoots. Voor zijn tegenstanders is 'Heidegger' een synoniem voor onleesbaarheid, verfoeilijk irrationalisme, autoritaire nonsens en een bedenkelijk gebrek aan moraal.

Zijn postume aanwezigheid in het filosofische landschap wordt bovendien niet alleen kracht bijgezet door de talloze publicaties van zijn exegeten en door de onvermoeibare weerzin van zijn vijanden, maar ook door de Gesamtausgabe van zijn werk. Nog steeds verschijnen jaarlijks enkele delen, vaak met nog onbekend materiaal. In totaal zijn meer dan honderd delen aangekondigd, waarvan pas iets meer dan de helft is gepubliceerd. Dus ook in het volgend millennium zal Heidegger, als een Shakespeareaans spook, nog geruime tijd present blijven.

Tegen zo'n overvloed valt niet op te vertalen, althans niet in Nederland, waar tot nu toe alleen een aantal kleinere Heidegger-teksten in vertaling het licht hebben gezien. Zelfs zijn hoofdwerk Sein und Zeit uit 1927 ontbreekt nog, maar dat zal komend voorjaar veranderen, wanneer de Nijmeegse uitgeverij SUN Zijn en tijd zal uitbrengen. De ongeduldige lezers worden nu, bij wijze van voorproefje, door dezelfde uitgeverij al bediend met een uitstekende vertaling van Einführung in die Metaphysik, oorspronkelijk een college-reeks uit 1935 die in 1953 voor het eerst in boekvorm verscheen.

Ietwat merkwaardig is de volgorde wel, aangezien Heidegger zelf deze Inleiding in de metafysica beschouwde als een remplaçant voor het nooit geschreven tweede deel van Sein und Zeit. Het eerste deel van dat boek werd vooral in beslag genomen door een uitputtende analyse van het alledaagse menselijke Dasein, dat zijn authenticiteit zou kunnen vinden in een 'Sein zum Tode', een vastberaden aanvaarding van de eigen eindigheid. Het was deze analyse die op Sartre zo'n diepe indruk had gemaakt en die ten grondslag lag aan diens eigen existentialisme.

Wat daarbij over het hoofd werd gezien is dat het Heidegger niet in de eerste plaats om de mens was te doen. Heidegger heeft dan ook altijd ontkend dat hij een 'existentialist' was. Zijn Daseins-analyse diende als uitgangspunt om de vraag naar het Zijn te stellen; hij was alleen bij de mens begonnen omdat deze het enige levende wezen is met het vermogen zich bewust tot het Zijn te verhouden. Was het in het Zwarte Woud tot een filosofische ontmoeting met Sartre gekomen, dan zou het er vast - al dan niet op de ski - onstuimig aan toe zijn gegaan.

Zijnsvraag

In Einführung in die Metaphysik benadert Heidegger de vraag naar het Zijn rechtstreeks, en wel door de eerste en meest oorspronkelijke vraag van elk metafysisch denken opnieuw te stellen: 'Waarom is er eigenlijk zijnd en niet veeleer niets?' Een vraag waarvan iedereen de 'verborgen macht' wel eens heeft gevoeld, zegt Heidegger, bijvoorbeeld bij grote vertwijfeling, in een 'gejubel van het hart' of in een moment van verveling. In zijn colleges beperkt hij zich echter tot de betekenis van deze waarom-vraag voor de metafysica.

Dat wil niet zeggen dat Heidegger ook zelf de metafysicus is waarvoor zijn tegenstanders hem houden, tenminste niet zonder meer. De titel dient 'dubbelzinnig' te worden opgevat, waarschuwt hij. Want om metafysica in de gangbare zin van het woord gaat het bij hem niet. Het verschil met zijn eigen denken zit hierin, dat de traditionele metafysica de grote waarom-vraag altijd heeft beantwoord door één zijnde (van Plato's 'Idee' tot Nietzsches 'Wil tot Macht') tot de dragende grond van het Zijn te maken, terwijl Heidegger juist probeert bij het Zijn zelf te blijven. Om dat kapitale onderscheid tussen zijnde en Zijn (dat zelf géén zijnde is) is het hem te doen.

Ter verheldering van hun abstracties kiezen filosofen liefst voorbeelden uit de directe omgeving, meestal tafels of stoelen, omdat filosofie nu eenmaal een zittend beroep is. Heidegger stond voor het bord terwijl hij zijn colleges gaf. Bij hem is het daarom een krijtje geworden. Van dit krijtje somt hij allerlei kenmerken op ('stoffelijke massa, witgrijs, licht, zus-en-zo gevormd, breekbaar'), maar, zo vraagt hij aan zijn studenten: waar zit nu het Zijn van dit zijnde? Het Zijn blijkt nergens te zitten, het is geen eigenschap, maar het is wat maakt dat het zijnde kan zijn. In het Zijn gaat het niet zozeer om wat iets is alswel om dat het is.

Hoewel de filosofen dit onderscheid stelselmatig zijn 'vergeten', is het ongemerkt maatgevend geweest voor de richting waarin de westerse filosofie zich sinds Plato heeft ontwikkeld. De voltooiing van die ontwikkeling ziet Heidegger in Nietzsche, voor wie 'zijn' het leegste woord was dat er bestond. Een 'onwerkelijke damp', noemde hij het, en dat is precies zoals er tegenwoordig nog steeds over wordt gedacht, zegt Heidegger.

Maar is dit 'zijn' werkelijk zo onbepaald als het schijnt?

In Einführung in die Metaphysik wil Heidegger aantonen dat dat niet zo is. Van een gewone inleiding in de metafysica is daarom geen sprake. Men krijgt geen erudiet overzicht van de metafysische traditie, want zoiets heeft volgens Heidegger met ware filosofie niets te maken; dat is hooguit 'wetenschap van de filosofie'. In plaats daarvan tracht hij zijn studenten binnen te leiden in de oorspronkelijke waarom-vraag, door wat daarin gevraagd wordt zo volledig mogelijk te ontvouwen. Het echte vragen zit niet in het vraagteken, maar is een zaak van volharding en onophoudelijk dóórvragen. Alleen zo raakt wat vanzelfsprekend lijkt aan het wankelen en baant het denken zich een weg naar wat in het vanzelfsprekende - onuitgesproken - verborgen zit.

Wat blijkt nu? Het woord 'zijn' heeft wel degelijk een zeer bepaalde betekenis. Door systematisch vier klassieke tegenstellingen na te gaan waarin het woord voorkomt ('zijn en worden', 'zijn en schijn', 'zijn en denken', 'zijn en behoren'), komt Heidegger tot de conclusie dat die betekenis telkens neerkomt op: 'bestendige aanwezigheid'. Geen toevallige conclusie, aangezien in de metafysische traditie het zijnde altijd als een te begrijpen of te beheersen object wordt voorgesteld, met als noodzakelijk complement een voorstellend subject.

Het denken in termen van subject en object is zo gewoon geworden, dat men het als de enig mogelijke manier van denken is gaan beschouwen. Ten onrechte, aldus Heidegger. In werkelijkheid berust deze manier van denken, zoals hij laat zien, op een specifiek begrip van het Zijn, dat geenszins het enig mogelijke hoeft te zijn. Zijn stelling komt erop neer dat ieder denken zich altijd afspeelt binnen een bepaald 'blikveld' dat zelf door het denken niet wordt gezien. Dat blikveld is niet van de mens afkomstig, het wordt 'geopend' door wat hij later een 'lichting van het Zijn' zal noemen. Pas binnen een blikveld is het de mens gegeven om zich bewust, wetend en handelend, met de zijnden (alle dingen inclusief de mens zelf) in te laten.

Zo'n lichting van het Zijn was ooit 'geschied' in het antieke Griekenland, en daarmee had de geschiedenis van de westerse filosofie een aanvang genomen. Heidegger benadrukt de 'grootsheid' van deze aanvang, die hij afzet tegen het 'verval' dat er weldra op was gevolgd. Want reeds de Grieken bleken niet in staat de oorspronkelijke waarheid (die Heidegger als een 'onverborgenheid' van de zijnden opvat) trouw te blijven, zij het niet uit onwil. Het 'verval' vond zijn oorsprong in het dubbelzinnige karakter van de aanvang zelf.

Socrates

In de unieke 'gebeurtenis' van de waarheid, de onverborgenheid die het blikveld opent, verschijnen de zijnden weliswaar zoals ze zijn, maar tegelijkertijd verbergt zich het Zijn zelf in het verschijnen van de zijnden. Met als gevolg dat op den duur hun aanschijn (in het Grieks idea) kon worden aangezien voor hun wezen, dat daarna door Plato als een bovenzinnelijk 'idee' van de aarde werd losgemaakt. En om de verwarring die zo ontstond de baas te kunnen, moest ook de betekenis van de waarheid veranderen. Van 'onverborgenheid' werd zij 'juistheid', dat wil zeggen: overeenstemming tussen verschijnsel en idee, of tussen zaak en kennis, waarvoor de garantie - nog weer later - werd gezocht en gevonden in de regels van de logica.

Heidegger hamert erop dat deze logica iets fundamenteel anders is dan de oorspronkelijke Griekse logos, de 'verzameling' van al het zijnde, waaraan het menselijke spreken in eerste instantie had beantwoord. De logica was een uitvinding van de platonisch-aristotelische scholen, die met de grootsheid van de aanvang niets meer had uit te staan. De pretentie van eeuwige en universele geldigheid die de logica zich heeft aangemeten, verdampt dus tot een illusie.

Het is niet zo dat Heidegger de logica iedere geldigheid ontzegt, binnen de metafysica en de daaraan ontsproten wetenschappen blijft zij onverminderd van kracht. Maar over de filosofie zoals hij die opvat heeft zij niets te zeggen. Die filosofie is immers wetenschap noch metafysica, maar een vragend denken dat zogezegd vóór het ontstaan van deze disciplines zijn plek wil vinden, temeer omdat de metafysica na Nietzsche in de wetenschappelijke techniek ook haar praktische voltooiing zou hebben gevonden. Het wil de verloren grootsheid van de aanvang herwinnen, door die aanvang in het denken te 'herhalen'. Niet in de vorm van een klakkeloze reproductie, de aanvang moet 'op een meer oorspronkelijke manier opnieuw worden aangevangen, en wel met al het bevreemdende, duistere, nog niet verzekerde dat een waarachtige aanvang met zich meebrengt'.

Hermetisch proza

Heidegger is duidelijk al een eind op weg in die richting. Vandaar dat zijn proza zo'n hermetische indruk maakt, ook in deze inleiding die toch geldt als een van zijn meer toegankelijkere werken. Heidegger lezen is als het leren van een vreemde taal, zelfs wanneer je hem in vertaling leest. Niet de woorden zijn vreemd, op enkele neologismen na, maar hun betekenissen hebben elke vertrouwdheid verloren. Uit de bekende woorden zelf weet hij steeds nieuwe (maar als hij gelijk heeft: oeroude en vergeten) betekenissen op te diepen, die pas zeer geleidelijk hun zin krijgen in het noodzakelijk speculatieve verband waarin hij ze voegt.

Het doel van dit alles? Dat is niet gering: namelijk de beoogde herhalende aanvang 'tot een andere aanvang om te vormen'. De inzet van zijn denken blijkt niets minder te zijn dan de voorbereiding voor een nieuwe geschiedenis. Een ontsnapping uit de moderne 'wereldverduistering', gevolg van een op louter instrumentele beheersing uitgelopen metafysica. In een dramatische en vaak geciteerde passage roept Heidegger het arme Europa voor ogen, opgesloten in 'de grote tang' tussen Rusland en Amerika, met de Duitsers als het volk dat van deze tang de 'sterkste druk' ondervindt, omdat het 'in het midden' zit: 'het volk met de meeste naburen en als dusdanig het meest bedreigde volk en met dat alles het metafysische volk'.

Vooral bij het laatste wrijf je je de ogen uit. Wat was er in 1935 'metafysisch' aan nazi-Duitsland? Van Rusland en Amerika was nog maar een bladzijde eerder gezegd dat zij 'metafysisch gezien' hetzelfde waren: 'dezelfde troosteloze razernij van de ontketende techniek en de grenzeloze organisatie van de gemiddelde mens'. Kennelijk ging Heidegger ervan uit dat de mogelijkheden van een 'andere aanvang' in Duitsland nog altijd aanwezig waren, ondanks het echec van zijn eerdere poging tijdens het rectoraat in 1933-1934. In een andere beruchte passage maakt hij gewag van 'de innerlijke waarheid en grootsheid' van het nationaal-socialisme, die alleen door de nazi-filosofen jammerlijk werd miskend.

Tussen haakjes geeft Heidegger aan wat hij met die 'innerlijke waarheid en grootsheid' bedoelde: 'de confrontatie tussen de wereldwijd toegepaste techniek en de moderne mens'. Dat was niet een voorspelling van de Tweede Wereldoorlog, eerder slaat het op de mogelijkheid die hij had gezien om binnen de nationaal-socialistische 'revolutie' een vooraanstaande plaats in te ruimen voor zijn denken van het Zijn. Alleen daaruit kon tenslotte een wezenlijke beslissing voortkomen over het lot van het avondland.

Nationaal-socialisme

Achteraf raakte Heidegger ervan overtuigd dat ook het reëel bestaande nationaal-socialisme 'metafysisch gezien' niet afweek van Rusland en Amerika en dat het 'reveil van de geest' waarvoor hij pleitte er niet van verwacht kon worden. De twijfel is overigens ook al in zijn colleges te vernemen, als we hem aan het eind, vlak voor het onvermijdelijke citaat van zijn favoriete dichter en streekgenoot Hölderlin, het 'kunnen vragen' zien omschrijven als 'kunnen wachten, desnoods een heel leven'. Als Hitler, wat dit betreft niet verschillend van de meeste politici, iets niet kon, dan was het dat wel.

Maar wachten en vragen betekent niet niets doen, al hoeft op enig direct effect niet te worden gerekend. Voor Heidegger was het vooral van belang de Griekse dichters en denkers te bestuderen. In Einführung in die Metaphysik komen Parmenides en Heraclitus aan bod en ook is er een schitterend commentaar op de eerste koorzang uit Sophocles' Antigone, waarin de tragische conditie van de mens wordt opgeroepen. In een ander onlangs vertaald geschrift (Der Spruch des Anaximander uit 1946) staat de in de titel genoemde pre-socratische filosoof in het middelpunt, van wie de oudste spreuk van het westerse denken afkomstig is.

In deze archaïsche teksten, soms niet meer dan een paar regels, gaat Heidegger op zoek naar de sporen van het eerste begin, die in de woorden zelf verborgen zouden zitten. De taal is voor hem niet alleen het 'huis' (zoals hij eens heeft geschreven) maar ook de schatkamer van het Zijn, waarin wat de filosofie 'ongedacht' had gelaten toch werd genoemd. En inderdaad, de woorden blijken na lang vorsen en speuren precies dat prijs te geven waar hij op uit is. De twintigste-eeuwse filosoof en zijn vroegste Griekse collega's stemmen in hun denken met elkaar overeen. De cirkel sluit zich.

Volgens Heideggers critici is dat geen wonder. Al dat etymologisch gejongleer en binnenste-buitenkeren van woorden stellen zij aan de kaak als een doorzichtige poging om te maskeren dat hij simpelweg zijn eigen ideeën projecteert op duistere, vaak gebrekkig overgeleverde teksten. Tegen deze kritiek verweert Heidegger zich met het argument dat hij geen wetenschap bedrijft en dus ook niet met wetenschappelijke criteria kan worden beoordeeld. Zijn wijze van interpreteren noemt hij een 'tweespraak' en 'tot de tweespraak behoort dat er over hetzelfde gesproken wordt en wel vanuit het toebehoren tot hetzelfde'. In elk waarachtig spreken komt daarom, hoe kan het ook anders, het Zijn ter sprake.

Wetenschappelijke 'bewijzen' kan hij voor zijn gelijk niet geven. Ook hoeven we hem niet te geloven. 'Voor het geloof is er in het denken geen plaats', staat in De spreuk van Anaximander. Het enige wat hij te bieden heeft is het vragende denken, dat in de letterlijke zin van het woord een voor-denken wil zijn. Heidegger doet vóór hoe het kan, maar de bedoeling is dat de lezers, net als destijds zijn studenten, zelf leren wat denken is: het waagstuk van de 'sprong', niet van de skischans, maar buiten die andere cirkel, waarin de westerse metafysica - voltooid in de heerschappij van de planetaire techniek - de mensheid gevangen houdt.

    • Arnold Heumakers