Klagende schrijvers

Ongeveer dertig procent van alle aanvragen wordt afgewezen, waarna de auteur de mogelijkheid heeft bezwaar aan te tekenen. Meestal leidt dit echter nergens toe, aldus H.U. Jessurun d'Oliveira, per 1 oktober voorzitter van het Fonds. 'Het is maar hoogst zelden dat de klagers gelijk krijgen.'

Een auteur kan ook zijn gram halen door zijn mond open te trekken tegen de pers. Wat bij deze klaagzangen nogal eens opvalt is het opportunisme van de auteurs. Zo bleek Ronald Giphart onlangs grote bezwaren te hebben tegen de aanpak van het Fonds voor de Letteren. Toen dit hem een aanvullend honorarium weigerde voor zijn roman Phileine zegt sorry brieste hij: 'Waar halen ze de autoriteit vandaan om zeven ton van de gemeenschap te verdelen?' Over literatuur was volgens hem 'geen objectief oordeel' te vellen. Zulke principiële bezwaren had Giphart echter niet toen het fonds diezelfde autoriteit eerder gebruikte om hem aanvullende honoraria toe te kennen voor Ik ook van jou en Het feest der liefde.

Ook dichter Jan Kal klaagt al jaren over gebrek aan subsidie. Onlangs zei hij in een interview dat de 'literaire opperste sovjet' (het Fonds voor de Letteren) heeft bepaald dat hij 'geen cent' meer krijgt. 'Dat zijn toch wantoestanden?', fulmineerde Kal. Een blik op de jaarverslagen van het Fonds leert echter dat Kal de afgelopen drie jaar gewoon een 3-maandsbeurs toegewezen heeft gekregen. Die van 1995 en 1996 heeft hij ontvangen, het geld van dit jaar heeft hij alleen nog niet opgevraagd.