Ik ben er voor u

MÜNCHEN/GIESSEN/MEININGEN/JENA/ROSTOCK/GÜSTROW/SCHWERIN/NEUBRA NDENBURG/COTTBUS/BRANDENBURG/GELSENKIRCHEN/JAMM/RHEDA-WIEDENBRÜCK. In Beieren mag ik niet op scholen voorlezen. In de provincies Mecklenburg-Vorpommeren, Brandenburg, Hessen en Nordrhein-Westfalen mag het wel.

De heer Reimann van de Bertelsmann Club - een Duitse ECI - die deze reis organiseerde, zei: “Ik vind het buitengewoon belangrijk dat juist jonge mensen zich met uw thematiek bezighouden.” Als dit maar vaak genoeg tegen je wordt gezegd ga je nog geloven dat je een thematiek hebt. En dan ben je verloren.

In München mocht ik alleen in een boekhandel voorlezen. Er waren achttien mensen, waaronder twee neerlandici, een vertaler, twee boekhandelaren, een vertegenwoordiger en de Duitsche schrijver Maxim Biller. Die ik ooit nog in Nederland zou hebben uitgegeven, als mijn uitgeverij niet voortijdig failliet was gegaan.

We gingen naar een joodse club. Ook München heeft een joodse club. We aten aardappelsoep en dronken wodka. En spraken over de joodse bibliotheek van uitgeverij Suhrkamp waar je alleen maar in mocht als je dood was. Nederlanders vond Biller vriendelijke Duitsers.

“Ik moet morgenavond ergens sjiwe zitten”, zei hij, “heb je zin om mee te gaan?”

“Dat kan toch niet”, zei ik, “die mensen zijn in de rouw. En ik ken ze helemaal niet. Bovendien ben ik heel slecht in sjiwe zitten.”

Maar hij zei dat het niets uitmaakte.

Zo zaten we de volgende dag sjiwe bij een vrouw wier moeder twee dagen daarvoor was begraven. We waren de enigen. Het gesprek ging over joden in Duitsland, kennelijk een onuitputtelijk thema. Biller had het over de Chanel-joden van München. Ik was erg blij dat ik geen Chanel-jood was. Daarna gingen we naar een Biergarten waar we Melena ontmoetten die tegen me zei: “Je vindt pas zielerust als je met een joodse vrouw zult trouwen.” Zelf had ze een Duitse vriend die ze 'der gute Ficker' noemde.

De volgende dag moest ik in Giessen zijn. Op mijn hotelkamer lag een informatiepakket over de stad Giessen, en ook een theekop met daarop 'welkom in Giessen'.

Namens de burgemeester werd ik verwelkomd door een vrouw van het 'Kulturamt'.

“Verwacht geen volle zaal”, zei ze, “men is hier in Giessen nog niet zo aan literatuur gewend.”

“Men is godzijdank bijna nergens aan literatuur gewend”, antwoordde ik, “en dat moet vooral ook zo blijven.”

De volgende ochtend ontmoette ik mijn chauffeuse Rita die mij de komende dagen zou rondrijden. Ze studeerde journalistiek, maar af en toe reed ze schrijvers rond om wat bij te verdienen. Dat was niet altijd even makkelijk, begreep ik. Vorig jaar had een schrijfster middden in de winter alleen maar asperges willen eten. En een andere schrijver hield een boekje bij waarin hij alles noteerde wat niet goed geregeld was.

We reden naar Meiningen, in de voormalige DDR.

In de bibliotheek was het gemoedelijk. En zaten vijftien mensen aan een ronde tafel. Men zocht naar de mens achter de schrijver, maar tot mijn geruststelling moet ik zeggen, werd die niet gevonden.

Een meneer uit Noord-Beieren had samen met zijn vrouw 100 kilometer gereden om de lezing bij te wonen. Hij zei: “Ik las je boek, en toen dacht ik met die jongen wil ik wat drinken. Als je in ons dorp komt zal ik je onze eigengemaakte worst laten proeven.”

Hij heette Wolfgang. Zijn vrouw had hij ontmoet op het carnaval.

In Jena zaten we in een futuristisch en vrijwel leeg hotel. Beneden aan de bar schonken ze meer dan 80 cocktails.

Na afloop van de lezing kwam een 85-jarige man naar me toe. Hij zei dat hij communist was geweest en uit hoofde van die functie veel joden had gekend. Hij was nog steeds communist. “Alte Scheisse, neue Scheisse, alles Scheisse”, zei hij een paar keer.

Van Jena naar Rostock, dat is een eindje rijden, maar Rita reed bijna 200. Frau Handke van de bibliotheek ter plaatse haalde mij om zeven uur op in mijn hotel. Het tijdstip waarop ik altijd werd afgehaald.

Een mevrouw van de universiteit in Rostock interviewde mij. “Uw humor”, zei ze, “doet mij zo denken aan de humor van de heer Mulisch, is dat iets typisch Nederlands-joods?”

“Ik geloof dat noch de heer Mulisch noch ik gelukkig worden van deze vergelijking”, antwoordde ik. Omdat ik bijna iedere avond hetzelfde voorlas begon ik mij een circuspaard te voelen.

Na afloop zei Frau Handke: “Het is zo leuk dat u hier bent, wij kennen alleen maar dode joden.”

De volgende ochtend om acht uur las ik voor, voor de jeugd van Rostock. Ze waren erg lelijk, ik was vergeten hoe lelijk de jeugd kon zijn. Een jongen van bijna twee meter vroeg mij na afloop of ik brieven beantwoordde. Verder waren het uitsluitend meisjes die vragen stelden, maar de lerares zei na afloop: “Dat is in die leeftijd altijd zo.”

Daarna was Güstrow aan de beurt. Het kleinste stadje waar ik tot nu toe geweest was.

Frau Moritz van de bibliotheek haalde mij om stipt zeven uur op in mijn hotel. Ze was erg oud en erg nerveus, omdat ze bang was dat er niemand zou komen. Ze reed in een Trabant en vroeg mij of mij dat iets uitmaakte. “Helemaal niet”, antwoordde ik. Toen ik het portier wilde openen ze ze wel dat ik er tegen moest schoppen.

De gesprekken met de organisatoren van de lezingen waren zo langzamerhand routine geworden. “Hoeveel mensen wonen er in deze stad?”, was mijn vaste openingsvraag. Ik was werkelijk een volmaakte hoer. In minder dan tien minuten creëerde ik de illusie van intimiteit. Men vond mij aardig en soms zelf meer dan dat. Iemand vroeg mij of ik als jood geen problemen had met de Duitsers. “Zolang de Duitsers geen problemen met mij hebben, heb ik geen problemen met de Duitsers”, antwoordde ik.

Niemand heeft in Duitsland harder gelachen dan Frau Moritz. Na afloop omhelsde ze me.

“Die Wende heeft ons niet veel gebracht”, zei ze, “het oude hebben ze van ons weggenomen, en wat hebben we ervoor gekregen?” Ze wees op een Pizza-Hut. Het was, vond ik, niet aan mij ironisch te doen over een Pizza-Hut, daarom zweeg ik.

In Schwerin ontmoette ik een journaliste van de NDR die mij na afloop van het interview toevertrouwde dat ze fantasieën had om mannen te vermoorden. Ze had de microfoon uit haar handen gelegd en kwam langzaam dichterbij. “Ik had drie stiefvaders”, zei ze, “en mijn moeder was net zo hysterisch als die moeder uit jouw boek, maar om heel andere redenen.”

“U kunt mij altijd schrijven”, zei ik. Een antwoord dat wel paste bij mijn functie die zich ergens bevond tussen hoer, biechtvader en niet-dode jood. In Neubrandenburg, de treurigste stad die ik bezocht, praatte een man de hele tijd door mijn lezing heen, alsof ik televisie was.

Inmiddels had ik ook een nieuwe chauffeur gekregen. Hij heette Dieter Fröhlich en hield zich strikt aan alle verkeersregels. Als we op de plaats van bestemming waren aangekomen ging hij steevast in de sauna.

In Cottbus zeiden twee meisjes: “Wij kunnen de Westduitsers meteen herkennen, ze praten heel hard en hebben geen manieren.”

“Hoe hebben jullie de Wende beleefd”, informeerde ik.

“Het was een leuke tijd”, antwoordden ze, “we hebben toen veel gespijbeld.”

Voor de verandering werd mijn werk met dat van Isaac Bashevis Singer vergeleken. Ook zo erotisch.

In Brandenburg zei de presentator: “Uw boek is echt iets voor specifieke generaties.” Toen verdween hij in de wc en kwam niet meer tevoorschijn. Tijdens de lange ritten deed Dieter Fröhlich nauwelijks een mond open. Hij was een zwijgzame chauffeur.

In Gelsenkirchen werd ik uitgenodigd om mee te gaan om haring te eten.

In Hamm werd ik geïnterviewd door de burgemeester. Een aardige man van in de veertig die mij al in het begin had gezegd dat ik niet moest denken dat zijn baan iets voorstelde. Na afloop wilde hij weten: “Bestaat liefde?”

Een vrouw uit Düsseldorf zei: “Dit jaar is het herdenkingsjaar van Heine, wij doen heel veel met joden.”

“Ik ben er voor u”, zei ik, en gebruikte mijn omfloerste oogopslag, de omfloerste oogopslag van de niet-dode jood die de afgelopen dagen al voor zoveel succes had gezorgd.

In Rhede-Wiedenbrück las ik voor, voor jeugdigen van de Jugend-Kultur-Ring. Na afloop bleef ik achter met Claudia Maria. Ze was zeventien. Op haar vijftiende had ze Mein Kampf gelezen. En ze zat in een club die een keer per maand naar joodse begraafplaatsen ging om daar schoon te maken.

Hoewel ik heel wat gewend was, luisterde ik met verbijstering.

Ze bereidde zich ook voor op een uitwisseling met schoolkinderen uit Jeruzalem. Ik vroeg me af wat die in Rhede-Wiedenbrück moesten.

In Leipzig schreeuwden ze eerst: “Wir sind das Volk”, en later: “Wir sind ein Volk.” Hoelang zou het nog duren voor ze de kreet van Daniel Cohn-Bendit over zouden nemen: “Wij zijn allemaal Duitse joden.”