Iedereen doet weer waar-ie zelf zin in heeft; De nominaties voor de Turner Prize

Rond de Engelse Turner Prize voor beeldende kunst breekt elk jaar wel een rel uit. Dit jaar werden alleen maar vrouwen voorgedragen. “Eén ding hebben de jonge Britse kunstenaars in ieder geval bereikt: het publiek vindt hun werk prachtig.”

Turner Prize 1997 Exhibition. Tate Gallery, Milbank, SW 1 Londen. Metro Pimlico. Dag 10-17.50u. T/m 18 januari.

Sensation. Royal Academy of Arts, Piccadily. Londen. Metro Piccadily Circus. dag 10-17.30u. T/m 28 december.

Waar ze aan begon - ze had eigenlijk geen idee. Het was 1994 en aarzelend besloot Gillian Wearing een contactadvertentie te zetten in het Londense uitgaansblad Time Out. De rubriek 'Personal' daarin bestaat vooral uit annonces van 'Girls on Line' of 'Boys ahoy' en daar stond haar oproep toch wat merkwaardig tussen: 'Biecht alles op op video. Maak je geen zorgen, je zult worden vermomd. Nieuwsgierig? Bel Gillian, tel....'

Maar veel kans voor twijfel kreeg Wearing niet, want het blad lag nog maar net in de kiosken toen de eerste beller al aan de lijn hing. Een man: ja, hij wilde praten over zijn fascinatie voor pornografie - of, om precies te zijn, over hoe prettig hij het vond om vrouwen te bellen wier naam hij had gevonden in contactadvertenties. Er volgde een tweede: weer een man, die wilde vertellen over zijn hoerenbezoek. En zo ging het door, de dagen erna: een man die vertelde hoe hij in zijn jeugd had moeten toekijken hoe zijn broer met zijn twee zusjes vree; een vrouw die vertelde dat ze er onlangs achter was gekomen dat haar vriend haar bedroog. Ze had hem op een hotelkamer gedrogeerd, zijn credit-cards en kleren gestolen en hem naakt achtergelaten.

“Er zaten veel verhalen bij waarvan ik niet wist of ik ze nou moest geloven of niet”, vertelt Wearing (34) in haar kleine, mudvolle appartement annex atelier in Oost-Londen. “Maar ik had al besloten dat ik me daar niks van zou aantrekken: het moest gaan om wat de bellers wílden vertellen. Ik besefte dat een biecht voor sommige mensen een fantasie tot werkelijkheid kan maken; omdat iemand hun droom gehoord heeft is het net of-ie echt is geworden.”

In de weken die volgden kwamen de bellers stuk voor stuk bij Wearing langs en filmde ze hen voor haar video Confess all... vermomd met sjaals en rubberen maskers van onder anderen Ronald Reagan en oud Labour-leider Neil Kinnock. Het resultaat, dat onder andere vorig jaar te zien was in het Van Abbemuseum in Eindhoven, lijkt op het eerste gezicht enigszins op een aflevering van Rondom Tien: een lange litanie van schrijnende verhalen. Maar door hun merkwaardige vermommingen zien de vertellers er ook zo absurd uit dat het moeilijk valt ze erg serieus te nemen - als toeschouwer ga je de kunstenaar ervan verdenken acteurs te hebben ingehuurd, of de verhalen zelf verzonnen te hebben. Zo roept Confess all... veel vragen en twijfels op - en Wearing geeft geen enkel antwoord.

Rellen

Wearing is een van de vier kunstenaars die dit jaar is genomineerd voor de Turner Prize, de bekendste Engelse beeldende kunst-prijs, die aanstaande dinsdag in Londen zal worden uitgereikt. De afgelopen jaren heeft de 'Turner', waaraan een bedrag is verbonden van 20.000 pond (ruim 70.000 gulden), naam gemaakt doordat er altijd wel een rel uitbreekt rond de nominaties. Dat heeft de prijs bepaald geen windeieren gelegd, en dus houdt de organisatie het rellen-mechanisme zoveel mogelijk in stand - soms tot ergernis van de Britse media, die zich gemanipuleerd voelen, maar er niet onderuit kunnen grote stukken over de prijs te publiceren.

Dit jaar ontstond de commotie al meteen nadat de nominaties bekend waren geworden. De jury, onder leiding van Tate Gallery-directeur Nicholas Serota, had de opvallende geste gemaakt alleen maar vrouwen te nomineren - naast Wearing de kunstenaars Christine Borland, Angela Bulloch en Cornelia Parker. Volgens sommige critici was deze all-female line up een flauwe, politiek-correcte stellingname, anderen vonden echter dat hiermee eindelijk een goede afspiegeling van de situatie in de Engelse beeldende kunst werd gegeven. En daar is wat voor te zeggen, want ook op Sensation, de tentoonstelling in de Royal Academy waar 'jonge Britse kunst' wordt getoond uit de collectie van reclame-magnaat Charles Saatchi, zijn opvallend veel vrouwen te zien. Multi-miljonair Saatchi geldt als de belangrijkste motor achter de internationaal succesvolle beweging, die in Engeland al zozeer gemeengoed is geworden dat ze een eigen afkorting hebben gekregen: YBA, wat staat voor Young British Artists. Over het algemeen worden Damien Hirst, Gary Hume en Jake & Dinos Chapman als de bekendste vertegenwoordigers daarvan beschouwd, maar op Sensation wordt duidelijk hoe belangrijk het aandeel van de vrouwelijke kunstenaars bij de jonge Britten wel niet is. Op de tentoonstelling zijn onder andere video's te zien van Gillian Wearing en Sam Taylor-Wood, schilderijen van Jenny Saville en Fiona Rae en installaties en beelden van Tracy Emin, Rachel Whiteread, Sarah Lucas en Abigail Lane - en hun werk doet bepaald niet onder voor dat van de mannen. Na Sensation kan zelfs geconstateerd worden dat de YBA de eerste beweging in de kunstgeschiedenis vormen waarin vrouwen en mannen even belangrijk zijn - en dan heeft Saatchi zijn oog nog niet eens laten vallen op Georgina Starr, Fiona Banner, Angela Bulloch, Christine Borland en Siobhan Hapaska.

Vrijheid

Op het eerste gezicht zijn de overeenkomsten tussen de YBA-mannen en vrouwen veel belangrijker dan de verschillen. Als de jonge Britse kunst als geheel iets uitstraalt is het een ongekend gevoel van vrijheid - iedereen lijkt te maken waar hij zin in heeft en wat in haar opkomt, zonder zich veel van het verleden of de kunstgeschiedenis aan te trekken. Op Sensation is dan ook nauwelijks een grootste gemene deler te bespeuren: Damien Hirst zet dieren op sterk water, Jake & Dinos Chapman bouwen grote, plastic beelden van gruwelijk geamputeerde lichamen met verwijzingen naar Goya, Jason Martin maakt zeer abstracte schilderijen en Mark Wallinger toont een video waarin hij op een roltrap naar de hemel vaart. Niemand lijkt zich daarbij nog iets van enig kunsthistorisch dictaat aan te trekken, directe verwijzingen naar Duchamp, Warhol of Beuys zijn zo goed als uitgebannen - je steekt er hoogstens de draak mee.

De vrouwelijke kunstenaars onderscheiden zich echter weer van hun mannelijke collega's door de persoonlijk lading van hun werk - het is lang geleden dat er op zo'n grote schaal kunst werd gemaakt die zo direct aan de kunstenaar zelf of zijn wereld van alledag refereerde. L'art pour l'art is volledig uit het zicht verdwenen, l'art pour l'homme dicteert de kunst - en zeker ook l'art pour la femme. Vooral Wearing, Taylor-Wood, Emin en Lucas stellen vaak relaties tussen mensen aan de orde - tussen geliefden, tussen huisgenoten, of tussen de toeschouwer en de mensen in het werk. En als er daarbij al een naam moet worden genoemd van een invloedrijke kunstenaar dan is dat altijd Bruce Nauman. “Nauman is zo veelzijdig”, zegt Sam Taylor-Wood. “Hij werkt met film en fotografie, hij maakt tekeningen en beelden en doet performances - alles behalve schilderen eigenlijk. Maar wat mij in zijn werk vooral interesseert is dat het uiteindelijk allemaal over mensen gaat - mensen in relatie tot andere mensen, mensen in verhouding tot de ruimte. Daar draait het bij veel van ons ook om.”

Het persoonlijke wordt wel heel direct zichtbaar in het werk van Tracy Emin, die in haar jeugd is misbruikt en op die ervaring nu haar oeuvre bouwt, door uitgebreid verslag te doen van al haar persoonlijke en seksuele verwikkelingen. Op Sensation wordt van Emin bijvoorbeeld een tent getoond waarin met kleurige letters alle namen zijn genaaid van 'iedereen waarmee ik ooit heb geslapen', zoals de titel luidt. De meeste vrouwelijke kunstenaars werken breder: zo zien de beelden van Sarah Lucas, vol fallus- en vaginasymboliek eruit als postfeministische statements, onderzoekt Gillian Wearing het gebied tussen uiterlijk en innerlijk en heeft Sam Taylor-Wood een merkwaardige voorkeur voor ruzies. Zij maakte in 1995 de film Travesty of a Mockery, waarin we een man en een vrouw, op twee afzonderlijke schermen, met elkaar zien bekvechten. Zij loopt opgewonden, huilend en scheldend over haar scherm, hij zit op het zijne teneergeslagen op een stoel en staat af en toe op om geagiteerd te ijsberen. Heel af en toe is er toch contact: dan stapt hij plotseling woedend haar projectie binnen of gooit zij een glas melk uit haar scherm over zijn hoofd. De hele scène is pijnlijk herkenbaar, maar ook weer niet. “Een ruzie zoals die in Travesty of a Mockery zou in een traditionele film misschien twintig seconden in beslag nemen”, zegt Taylor-Wood. “Bij mij duurt hij meer dan tien minuten. Daarin wordt niks uitgelegd, zodat het ook niet lijkt op een huiselijke situatie. Wat je ziet is puur de vorm van een ruzie.”

Esthetisch

Gezien het werk dat ze tegenwoordig maken is het moeilijk voor te stellen dat zowel Lucas als Taylor-Wood en Wearing aan het eind van de jaren tachtig op Goldsmiths' College in Londen studeerden, de toonaangevende kunstacademie van Groot-Brittannië. Goldsmiths' was in die jaren weliswaar al invloedrijk, maar niet bepaald het toonbeeld van anarchisme. De docenten stonden er sterk onder invloed van de 'Britse beeldhouwers', de voorlaatste invloedrijke generatie van Engelse kunstenaars onder wie zich Richard Deacon, Bill Woodrow, Tony Cragg, Anish Kapoor en Julian Opie bevinden. Zij werken in de klassiek-Engelse traditie: subtiele beelden, waarin ze experimenteerden met vorm, materiaal, kleur en oppervlak; mooi, maar erg esthetisch. “Toen ik op Goldsmiths' zat, maakte ik ook hele formele beelden”, grinnikt Sam Taylor-Wood. “Heel minimalistisch allemaal, met hééél veel betekenis. Maar terwijl ik daarmee bezig was, bleef het gevoel knagen dat het niet over mezelf ging.” Toen ze Goldsmiths' dan ook had verlaten, ging ze niet werken als kunstenaar, maar kreeg ze een baantje als oeuvreuse in het Royal Opera House in Covent Garden. “Het was zo'n merkwaardige ervaring om daar te werken: door dat gebouw klinkt de hele dag opera - of je gehersenspoeld wordt. Zelfs als ik zat te plassen of over de gangen liep werden mijn handelingen door die muziek begeleid. Dat gaf het gevoel alsof ik een acteur werd in mijn eigen leven. Als ik dan thuis kwam, miste ik die muziek, er ontbrak iets, de glamour was weg. Toen wist ik waar ik met mijn werk naartoe moest.”

Al snel begon Taylor-Wood werk te maken waarin film en het verschil tussen schijn en werkelijkheid een belangrijke rol spelen. Ze filmde in 1994 Method in madness, een video waarin een Amerikaanse 'Method'-acteur, een methode die ervan uitgaat dat een acteur zich zoveel mogelijk moet inleven in zijn personage, tien minuten lang een mentale ineenstorting speelt. Daar ben je als toeschouwer niet van op de hoogte, en het duurt zo lang, dat je het benauwd krijgt: doet deze man alsof of heeft hij werkelijk psychische problemen? Die twijfel wordt versterkt doordat de man op de helft van de film plotseling voor zich uit begint te staren, alsof hij er genoeg van heeft. Maar waarvan? Van zijn depressie of van zijn rol?

Ook Gillian Wearing houdt van zulke vragen. Voor een van haar mooiste projecten, Signs that say what you want... ging ze de straat op met een camera en sprak ze voorbijgangers aan. Als die wilden meewerken, kregen ze een wit stuk papier waarop ze iets over zichzelf moesten opschrijven; vervolgens maakte Wearing een foto van schrijver en statement. Hoe simpel het idee ook was - het werkt wonderbaarlijk, omdat iedere foto plotseling twee verhalen vertelt: dat van het uiterlijk van de gefotografeerde en het verhaal van de tekst op het vel. En die twee blijken soms moeilijk met elkaar te rijmen. Waarom heeft de gladde beursjongen met horlogeketting bijvoorbeeld alleen maar 'I'm desperate' op zijn bordje geschreven? En waarom staat de olijk kijkende politieman met het woord 'HELP' in zijn hand? Vragen, twijfel, onderzoek - daar draait het voornamelijk om bij de jonge vrouwelijke Britten. Hun beelden zien er bekend uit, uit documentaires, uit praatprogramma's, uit film, en van de straat, maar altijd zit er wel een adder onder het gras verborgen.

Trucjes

In Engeland begint ondertussen de vraag de rijzen hoe lang de YBA hun populariteit nog vol zullen weten te houden. Wat zal er met ze gebeuren als Charles Saatchi zijn belangstelling verliest en zijn 'jonge Britse kunst' op de markt gooit? En zullen al die jonge kunstenaars in staat blijven aan de verwachtingen te beantwoorden? Het gevaar is ten slotte niet bepaald denkbeeldig dat een groot deel van de huidige generatie jonge kunstenaars de hype niet zal overleven en binnen een paar jaar 'opbrandt'. Op sommige plaatsen zie je dat al gebeuren: 'jongeren' als Matt Collishaw en Marc Quinn beginnen na een paar goede werken te vervallen in trucjes die bijna een parodie op hun oudere werk zijn - kleine verdraaiingen van de werkelijkheid van alledag, gemakzuchtig en voor de hand liggend. Zelfs op de Turner Prize wordt die ontwikkeling af en toe al zichtbaar: de afdrukken van de langste en de kleinste mens ooit van Christine Borland, of de enorme donutvormige zitzakken waaruit piep- en knorgeluiden komen van Angela Bulloch zijn meer kermis dan kunst.

Eén ding hebben de jonge Britse kunstenaars in ieder geval bereikt: het publiek vindt hun werk prachtig. Zowel op de Turner-tentoonstelling als op Sensation worden toeschouwers met bussen tegelijk aangevoerd, er hangt een voortdurende sfeer van plezier en interesse en er wordt de ene discussie na de andere georganiseerd. De schoolkinderen rollen heen en weer op Bullochs zitzakken of ze vergapen zich aan de beesten op sterk water van Damien Hirst; ondertussen turen de volwassenen naar de enorme naakte vrouwen van Jenny Saville, het tentje van Tracy Emin of het oude, bruine tafeltje van Sarah Lucas waarop in precies de goede, suggestieve volgorde twee gebakken eieren en een broodje kebab liggen. Er is interesse, ongeloof, en ook regelmatig de bekende is-dit-nou-kunst-blik, maar in ieder geval kít het publiek in Londen weer naar hedendaagse kunst - Nederlandse musea mochten willen dat hun tentoonstellingen zoveel aandacht zouden weten op te wekken.

“Ach, zegt Sam Taylor-Wood, “kunst komt altijd in golven. We hebben een lange periode van starheid gehad, van een heilig geloof in een evangelie dat door voorgaande generaties was afkondigd. Dat is nu weer even voorbij - iedereen doet weer waar-ie zelf zin in heeft en tolereert alles van een ander.”

Ze giechelt kort.

“Dat zóú je nieuwe romantiek kunnen noemen.”

    • Hans den Hartog Jager