Het kiezen van een Indische identiteit

Will Tinnemans en Frank von Winckelmann (research): Indisch licht. Een halve eeuw steun aan oorlogsgetroffenen uit Indië. Stichting Tong-Tong, 148 blz. ƒ 37,50.

Wim Willems, Remco Raben, Edy Seriese, Liane van der Linden, Ulbe Bosma (red.): Uit Indië geboren. Vier eeuwen familiegeschiedenis. Waanders, 224 blz; tot 1 januari 1998 ƒ 39,95, daarna ƒ 55,-.

'Indië ligt in Nederland'; De boeken Uit Indië geboren en Indisch licht bewijzen het opnieuw. Hier vond en vindt de zoektocht naar het eigene van de Indische identiteit plaats. Afgezien van de 50.000 Indische Nederlanders in de VS, 6.000 in Australië en een vermoede 6.000 in Indonesië, is het in Nederland, dat de grootste groep inwoners uit het voormalige Nederlands-Indië te vinden is. Na de oorlog zijn ongeveer 300.000 mensen uit Indië teruggekomen, waarvan een geschatte 170.000 Indo-Europeanen.

Een identiteit is niet een vastomlijnd en exact te definiëren gegeven, maar een creatief en sociaal proces van bewustwording, naamgeving en keuzen. Een identiteit kun je creëren, formuleren, cultiveren en organiseren. Die processen waar ervaringen, herinneringen en verhalen van vroeger onlosmakelijk deel van uitmaken, komen altijd uit bij de behoefte naar geschiedschrijving, naar objectivering. Daarmee worden ervaring en verhaal bovenpersoonlijk. Uit behoefte aan die objectiviteit en plaatsbepaling zijn deze twee Indische boeken voortgekomen.

Tempo-doeloe-boeken zijn het niet. Verheerlijking van het koloniale verleden en de prestaties van (Indo-)Europeanen ontbreekt. De redactie van Uit Indië geboren heeft een sociale geschiedenis van families, huwelijkspatronen en dagelijks leven samengesteld; een fraai uitgegeven en gemakkelijk leesbare bundel. In de dertien bijdragen, gebaseerd op onderzoek uit de jaren tachtig en negentig, komt de post-koloniale generatie aan het woord; de meerderheid van deze historici is na 1950 geboren. Zij wilden af van het gangbare beeld van de gemarginaliseerde Indo-Europeaan, klem tussen de hamer van het Indonesische nationalisme en het aanbeeld van het Nederlands koloniale bestuur. Het is ze gelukt.

Indo-Europeanen vormden tot ver in de negentiende eeuw een 'verticale' bevolkingsgroep, die in alle sociale lagen te vinden was. Rijke gemengdbloedige bruiden van de mannelijke VOC-elite waren een onmisbare schakel in de politieke familie-allianties van de zeventiende en achttiende eeuw. Maar ook de bonte bevolking van de Bataafse volksbuurten van die eeuwen was voor een groot deel van gemengde herkomst. Aanzienlijke zogeheten 'Ambindo-families' op de Molukken en vermogende planters-netwerken op Java waren evenzeer Indo-Europees als kinderen wier bakermat in de kazerne van het KNIL had gelegen, of de klerken en commiezen voor wie het onderwijs ontbrak om hun kinderen sociaal te doen stijgen. Niet voor niets richtte het Indo-Europeesch Verbond (1919) zich op de uitbreiding van hoger en beroepsonderwijs. Indo-Europees was in deze eeuw overigens niet alleen de politieke belangenbehartiging via een eigen partij, maar ook het genieten van de dynamische 'roaring twenties' en zijn door Amerika beïnvloede 'Pacific'-cultuur.

De meeste Indo-Europeanen bleven als 'Aziaten' tijdens de Tweede Wereldoorlog buiten de burgerkampen; over hun ervaringen is weinig te boek gesteld. Diezelfde groep bevolkte na de oorlog de Indonesische 'extremisten'-kampen, die waren opgezet om hen te beschermen, eveneens een weinig bekend onderwerp. Ook over Nieuw-Guinea tussen 1950 en 1962 moet onderzoek en geschiedschrijving nog op gang komen. In Uit Indië geboren worden er eerste aanzetten toe gegeven. Twee hoofdstukken over vestiging in de VS en Nederland sluiten de rij.

Het geheel geeft een helder overzicht van vier eeuwen sociale geschiedenis van Indo-Europeanen. Het is bovendien een 'visuele' geschiedenis, niet alleen door de rijkdom aan foto's maar ook door de concrete beschrijvingen. Toch is het niet geheel gelukt om aan eigentijdse vertekening te ontkomen. Voor de post-koloniale generatie heeft racisme afgedaan. In de koloniale samenleving kenmerkte racisme echter niet alleen de Europese totok maar ook de Indo-Europeaan. Emilie Mesman uit Makassar mocht dan trots zijn op haar vorstelijke Boeginese voormoeder, een bestuurder van het Indo-Europeesch Verbond (IEV) verbood in de jaren dertig van deze eeuw zijn kinderen om Indonesische vriendjes mee naar huis te nemen. Het eerste staat er, het tweede niet. Er zijn zeker meer voorbeelden van 'alledaags racisme' uit de Indo-kring te geven; in de bundel loopt men er echter niet mee te koop.

Zowel uit Uit Indië geboren als uit Indisch licht blijkt hoe oud het debat over de Indische identiteit al is. De problemen rond definiëring naar biologische of geografisch/culturele origine van de Indo-Europese identiteit zijn historisch aanwijsbaar. Toen de term 'Indische Nederlander' in 1916 werd gelanceerd, duidde deze op een 'persoon van gemengd Nederlands-Indonesische afkomst', een raciaal kenmerk. Bij de oprichting van het Indo-Europeesch Verbond in 1919 was het criterium van lidmaatschap echter twistpunt. Was die identiteit door rasverschil biologisch bepaald en mochten alleen Indo-Europeanen lid worden? Of was zij geografisch en cultureel gedetermineerd en stond het IEV open voor alle in Indië geboren Europeanen plus hun vrouwen en kinderen? Na heftige debatten besloot men het IEV ook open te stellen voor in Indië geboren blanke Europeanen. De Indische Nederlander werd daarmee de in Indië geboren Nederlander. De grens naar de Nederlandse groep was poreus; die naar het Indonesische bevolkingsdeel, de eigen voorvaderen of voormoeders, bleef gesloten.

De spraakverwarring duurt voort. Uit Indië geboren geeft de veelkantige geschiedenis van Indo-Europeanen. De redactie zet dat rascriterium in de inleiding tegelijkertijd op losse schroeven. Zij omschrijft haar onderwerp immers als die groep van 'Europeanen die zich in Indië hebben gevestigd, er kinderen kregen, en woonden en werkten binnen de koloniale invloedssfeer die wij Indisch noemen', het IEV-criterium dus. Echt consequent lijkt dat niet; wel is het illustratief voor het oude debat en voor de problemen rond de verwoording van identiteit.

De auteurs van Indisch licht kiezen onomwonden voor de culturele en post-koloniale definitie: Indisch Nederlanders zijn allen die na 1945 uit Indië zijn teruggekeerd, zowel Indo-Europeaan als blanke Nederlander (totok). Die keuze is vrij logisch. Indisch licht is een gedenkboek ter ere van het vijftigjarige bestaan van de Stichting Pelita. De stichting, genoemd naar een Indonesisch olielampje, werd in 1947 opgericht ter ondersteuning van oorlogsslachtoffers uit Indië in Nederland of in Indonesië. Het was een organisatie van totoks uit Indië. Sinds de jaren zeventig is Pelita als enig overgebleven hulpinstelling voor mensen uit Indië mede verantwoordelijk voor de uitvoering van de oorlogswetten voor de slachtoffers van oorlog en dekolonisatie. Gezien herkomst en brede doelgroep is een brede definitie dus begrijpelijk. Het bevestigt nogmaals hoezeer identiteit een kwestie is van pragmatisch kiezen en formuleren.

Indisch licht geeft de geschiedenis van de repatriëring uit Indië tussen 1945 en 1968 uit Indië naar Nederland en van de ommezwaai in de benadering van oorlog en oorlogsslachtoffers vanaf de jaren zeventig. Daarmee is het een spannende geschiedenis van dekolonisatie en post-koloniale reacties in het 'moederland' geworden.

In het najaar van 1947, wist de oprichtster, mevrouw J.E. Eckenhausen-Tetzner, twaalf miljoen gulden van luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook los te krijgen. Dat pleitte zeker voor haar overredingskracht. Zij had als oorlogsweduwe en door haar deelname aan de hulpverlening aan arme Indo-Europeanen in het begin van de oorlog, ook goede papieren. Toch blijft het een raadsel waarom Van Mook zich zo gul toonde. Hij was zeker geen filantroop, het tijdstip zo kort na de Eerste Politionele Actie economisch niet erg gunstig.

Maar al blijft de herkomst onduidelijk, met dit kapitaal (nu zeker 90 miljoen gulden waard), kon de stichting zowel in Nederland als in Indonesië aan de gang gaan. Zij liet woningen bouwen en verleende financiële steun aan wie bij de bestaande loketten te weinig bijstand vond. Bij de dood van de directeur werd de Indonesische afdeling in 1956 opgeheven; politieke armslag voor hulpverlening aan oorlogsslachtoffers ontbrak.

Het zwaartepunt van het werk lag vanaf het begin in Nederland. Hartelijk was de ontvangst van de Indische landgenoten uit Indië allerminst. Ook toen ging migratie gepaard met 'fortenbouw'. De gemeente Den Haag liet in 1950 aan de regering weten, dat zij iedere repatriant die zich zonder vergunning in de stad vestigde, 'onverwijld' zou uitzetten. De 'dames-comités' van de stichting, opgezet voor persoonlijk contact met repatrianten, stuitten op angst voor 'gekleurden' in Groningen en Friesland. De regering zelf hield Nederland in de vroege jaren vijftig zoveel mogelijk gesloten voor de 'Oosters georiënteerden'. Pas eind 1955, toen de verhouding met Indonesië snel verslechterde, werden visa ruimhartiger verstrekt.

Bijna 8.000 mensen hebben in Nederland van Pelita aanvullende steun ontvangen; het woningbezit liep geleidelijk op tot een zeshonderdtal woningen. De hulpverlening, ook die van Pelita, was gericht op assimilatie, sterk paternalistisch van karakter en sociaal gelaagd. Aanvragers werden naar welvaartsklassen ingedeeld en begunstigd.

In de zijlijn van de officiële hulpverlening wist Pelita 'ondanks zichzelf' te overleven. Aanvankelijk teerde Pelita op haar relaties en de Indische miljoenen. Subsidie werd niet verkregen. Tussen 1961 en 1972 verkocht zij haar huizenbezit, een economische reddingsactie. Dat de stichting nu nog bestaat, is echter vooral te danken aan verschillende regeringsopdrachten die haar leven redden op momenten dat het bestuur opheffing overwoog. In 1957 kreeg Stichting Pelita het verzoek de Rehabilitatie Regeling Schrijnend Monetair Verlies, een eenmalige uitkering van maximaal ƒ 2.000,- per gezin, te behandelen. In 1968 werd Pelita betrokken bij de uitkeringsregelingen voor vervolgingsslachtoffers. Daar andere Indische opvangorganisaties inmiddels waren opgeheven, kwam Pelita als enige hiervoor in aanmerking. De stichting dankte ook veel aan het Joods Maatschappelijk Werk. Dat nam strijdbaar het voortouw bij de nieuwe wetgeving voor oorlogsgetroffenen uit de jaren zeventig en tachtig, waarop Pelita steeds feller, sneller en professioneler kon inhaken.

Pelita ontwikkelde zich in vijftig jaar dus van particuliere filantropie tot een professionele instantie voor maatschappelijk werk en van een 'totok'-club tot een Indische organisatie op het knooppunt van vele Indische instellingen. Ook zij heeft de laatste jaren bewust gekozen voor die Indische identiteit; in 1977 werden ook slachtoffers uit de periode 1945-1949 als doelgroep erkend. Het relaas over deze post-koloniale ontwikkelingen is relevant voor ieder die geïnteresseerd is in het ontstaan van de multiculturele samenleving in Nederland en in de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog na 1945.