Het doornenpad dat leven heet

Hermine de Graaf: Een dag in december. Meulenhoff. 200 blz. ƒ 32,90.

Te bewijzen valt het natuurlijk niet, maar ik verbeeld me wel eens dat er een zekere zielsverwantschap bestaat tussen Hermine de Graaf en Maarten 't Hart. Als dat zo is, dan is Vestdijk misschien wel de oorzaak, want die bewonderen ze allebei. Bij 't Hart is die altijd nogal manifest geweest, maar ook De Graaf heeft zo haar Vestdijk-connecties. In beider werk is van een Vestdijk-invloed overigens niet veel terug te vinden. Vergeleken met diens ingenieuze, psychologisch wijd vertakte en breed opgezette romans zijn die van De Graaf en 't Hart, ieder op hun eigen manier, veel eenvoudiger: eenvoudiger van opzet, intrige en taalgebruik. Daardoor zijn ze niet per definitie minder geslaagd dan die van de meester, maar wel fundamenteel anders.

De overeenkomst die ik tussen de twee schrijvers meen te zien, bij alle verschillen in thematiek, is vooral een kwestie van karakter. Beiden stellen zich op een nadrukkelijk provinciaal standpunt, ver van de verdwazende massa. In hun hoofdpersonen herkent men meestal wel het een en ander van hun scheppers: eigenaardige, eenzelvige, maar in de grond altijd sympathieke figuren, die hun weg proberen te vinden op het doornenpad dat leven heet. Geen van beiden behoort tot de literaire fijnproevers en hun beider stijl is, ook weer met alle onderlinge verschillen van dien, stroef en ongemakkelijk. Maar die stroefheid maakt op een ingewikkelde manier ook weer de charme, de ontwapenende kracht uit van hun werk.

Wat ik met deze lange inleiding op Een dag in december, het negende boek en de vierde roman van Hermine de Graaf, probeer duidelijk te maken, is dat men sympathie, waardering en soms ook bewondering kan hebben voor een oeuvre, voor twee geestverwante oeuvres in dit geval, zonder dat men er in alle onderdelen even gelukkig mee hoeft te zijn. Wie De Graaf leest, moet veel stilistische hoekigheid voor lief nemen. Op de eerste bladzij van haar eerste verhalenbundel Een kaart, niet het gebied, uit 1984, stond al meteen een van haar lelijkste zinnen: 'Zoals veel huilen bij baby's, meende Lisa dat fluiten goed was voor haar longen', en daarmee is de zin nog niet eens ten einde.

De ongemakkelijke samentrekking is, dertien jaar na haar debuut, nog altijd een van haar opvallende stijlkenmerken. Op de tweede bladzijde van Een dag in december staat al meteen deze formulering: 'Vaak ben ik van huis weggegaan en bezat niet genoeg kracht mijn besluit serieus te blijven nemen.' Dat ik de roman met al zijn stilistische onvolkomenheden toch heb uitgelezen, zegt wel iets over De Graafs vermogen om er een zekere spanning in te houden, maar daarmee is helaas ook wel alles over de eventuele kwaliteit gezegd: rammelende constructie, werkelijk hopeloze bijfiguren en een veel te doorzichtige plot.

Hoofdpersoon van Een dag in december is Bella, een vrouw die zich op haar veertigste ineens afvraagt wie zijzelf nu eigenlijk is en wat haar leven met de veel oudere Ellert precies voorstelt. Deze Ellert, een onbestaanbare kwezel, heeft zijn hart verpand aan een soort fantoom: een ooit befaamde en later op raadselachtige wijze verdwenen dichteres, Clara van Egmond geheten. Samen met een al even onbestaanbare jeugdvriend maakt hij studie van haar leven en werk. Ook is er nog een aan boulimia lijdende dochter in het spel, die het met vage contouren moet stellen.

We moeten het dus vooral hebben van Bella, die zich bepaald explosief ontwikkelt van slaafse echtgenote tot zelfbewuste, daadkrachtige vrouw, die tenslotte haar Ellert het nazien geeft. De tweede hoofdpersoon in het boek is Clara van Egmond (een reïncarnatie van Clara Eggink?), die in negen brieven uit de jaren vijftig tot leven wordt gewekt. In haar laatste epistel wordt het grote geheim van de roman onthuld, maar dat hadden we halverwege al zo'n beetje zien aankomen.

De brieven zijn als een soort losse bijlage opgenomen in de roman, die daardoor uiteenvalt in twee nogal onverenigbare brokken. Wel vormen de brieven, waarin Josepha Mendels en haar toenmalige Parijse huisgenote Berthe Edersheim figureren, verreweg het aardigste, want minst hoekig geformuleerde deel van de roman. Het lijkt me niet toevallig dat ze zijn geschreven vanuit een Franse kuststreek en dat de zee er een belangrijke rol in speelt. Het is opvallend hoeveel vrijer Hermine de Graaf zich voelt als ze niet alleen over mensen en hun kleingeestige verwikkelingen hoeft te schrijven, maar ook haar licht kan laten schijnen over bomen, wolken, golven, wind, water, dieren, landschappen en de getijden. Dan worden haar zinnen soepeler en ronder, alsof ze zich tegen de natuur niet hoeven te verweren. Ook daarin valt een parallel met Maarten 't Hart te bespeuren.