Harmonie op het schavot; 'Dialogues des Carmélites' is een wonderlijke anti-opera

Donderdag beleeft bij De Nederlandse Opera 'Dialogues des Carmélites' van Francis Poulenc haar Nederlandse première. De Canadese regisseur Robert Carsen laat de vijftien nonnen, over wie de opera gaat, acteren alsof het om een intens gespeelde, dramatische toneelvoorstelling gaat.

Dialogues des Carmélites door De Nederlandse Opera. Première 4/12 in Het Muziektheater, Amsterdam. Uitvoeringen t/m 30/12. Res.: 020-6255455.

Het geluid van de guillotine, de dodelijke valbijl van de Franse Revolutie, gaat zo: tsjàk, tsjàk. Eerst is er een dreigend suizen, als van een zweep die door de lucht striemt, gevolgd door een korte slag. De geslepen, schuine bijl van het toestel heeft zijn werk doeltreffend gedaan. Er rolt een hoofd van het schavot. Een nonnenhoofd.

De Franse componist Francis Poulenc (1899-1963) laat aan het slot van zijn opera Dialogues des Carmélites uit 1957 de guillotine vijftien keer aan het woord. Letterlijk. In steeds sneller en dramatische opeenvolging doorklieft de bijl de hals van de nonnen van het karmelietessen-klooster in Compiègne. De Assemblée Législative, de Franse Wetgevende Vergadering, besloot op 17 augustus 1792 dat alle leden van religieuze orden gedood moesten worden. Zij behoorden de oude, conservatieve tijd toe en met de Franse Revolutie brak er immers een nieuwe tijd aan, waarin voor de strenge hiërarchie van het kloosterleven geen plaats was.

De klank van de guillotine in de opera is nadrukkelijk nagebootst, want bij de wereldpremière in de Scala van Milaan kon Poulenc moeilijk iemand op het hakblok leggen, het koord met de bijl eraan losknopen, en er vervolgens een microfoon bij houden. Die bijna-authenticiteit bereikte de componist door het geluid van een papiersnijder op te nemen en dat, met behulp van een tape, steeds luider uit de orkestbak op te laten klinken. Het effect is even subtiel als overweldigend. Er gebeurt nog veel meer in die scène. De ter dood veroordeelde vrouwen heffen, als teken van verzet en uit verlangen naar vertroosting, het Salve Regina mater misericordiae aan en telkens als de bijl valt, klinkt er een stem minder. Het koor wordt uitgedund, net als bij de tien kleine negertjes.

Martelaarschap

Dialogues des Carmélites is een wonderlijke anti-opera. De Canadees Robert Carsen die het werk voor De Nederlandse Opera voor het eerst in Nederland regisseert, heeft er altijd een voorliefde voor gehad. Kort na de Italiaanse uitvoering ging het in Parijs in première, in juni '57. Daarna is het nog maar zelden uitgevoerd. “De Dialogues heeft niets met een opera van Puccini of Verdi te maken,” zegt Carsen voorafgaand aan een repetitie in het Amsterdamse Muziektheater. “Deze opera gaat over abstracte zaken als Hoop, Angst, Dood, Toewijding, Martelaarschap, Geloof. Er zijn geen heftige tegenstellingen, alles is in grijze schaduwtinten gehouden. We hebben onderzoek gedaan naar het leven in nonnenkloosters, hoe de nonnen gekleed gaan, aan welke rituelen ze gehoorzamen en vooral wat een levenslange overgave aan God betekent.

“De opera is, zoals de titel aangeeft, een dialoog. De dramatische hoofdpersoon is Blanche, een jonge vrouw die twijfelt aan zichzelf en voor wie het leven een beproeving is. Ze kan geen harmonie vinden; ze is neurotisch, kwetsbaar, jaloers. Angst voor het leven jaagt doodsverlangen in haar op. Anderzijds is ze bang voor de dood. Ze werd geboren aan het eind van de achttiende eeuw, in de roerige tijd vlak voor de Franse Revolutie. Ze zoekt in het klooster een schuilplaats en innerlijke rust, maar de moeder-overste houdt haar voor dat ze de rust in zichzelf moet vinden. Eigenlijk zoekt ze iets in het klooster wat voor haar onvindbaar is, namelijk de verlossing van de angsten die haar beheersen. Ze ontdekt dat de enige reden van bestaan van een non het bidden is. Maar deze opdracht is haar te kaal; ze wil meer. Heroïek en martelaarschap.”

Na de dood van Blanche's moeder in het kraambed is de priores de tweede dode in haar nog jonge leven. Halverwege de opera sterft deze, oud en ziek. Haar dood is de voorbode voor de dood van alle nonnen. Blanche, gespeeld door Joan Rogers, beseft dat opoffering de belangrijkste religieuze daad is. Zoals Christus voor de mensheid aan het kruis stierf en haar moeder voor haar, zo moet ook zij leren onthecht van zichzelf te raken en haar leven in dienst van anderen te stellen. Al moet daar de dood op volgen. Dat ze de dood aldoor met zich meedraagt, blijkt ook uit de naam die ze zichzelf toebedeelt: 'Soeur Blanche de l'Agonie du Christ'. Zuster Blanche van Christus' doodsstrijd.

Schavot

Blanche bezit een intrigerend karakter; haar frêle, blonde verschijning symboliseert haar wankelmoedigheid. Ze zingt een wat nerveuze, ijle en beweeglijke sopraan. Haar grote drang tot heldendom zal haar uiteindelijk vrijwillig het schavot doen betreden. Want ze heeft met de andere nonnen de dure eed gezworen dat ze de dood zullen verkiezen, als ze daarmee de andere kloosters van de karmelietessen kunnen redden. Op het schavot zingt Blanche de laatste verzen van Veni Creator. Dan lost ook plotseling haar stem in het niets op, net zoals die van de andere nonnen. De guillotine suist en slaat in, het gordijn valt. Door zichzelf geheel weg te vlakken heeft ze haar grote gelofte ingevuld. Ze deed wat in religieuze zin het hoogste is: sterven voor voor het behoud van anderen.

Regisseur Robert Carsen neemt de opera serieus en letterlijk. Poulenc schreef het libretto naar het gelijknamige toneelstuk van de diepgelovige tekstschrijver Georges Bernanos, die op zijn beurt teruggreep op een verhaal dat een van de nonnen die de terreur overleefde opschreef. Afstandelijkheid zou deze opera onrecht aandoen; gelukkig is die houding vreemd aan de veertigjarige regisseur, die terughoudend en secuur formuleert. Hij zegt: “Het is een trieste gedachte ironisch te doen over het geloof. Uiteindelijk is de strekking van de Dialogues dat vergevingsgezindheid en opoffering de wezenlijke aspecten van religie zijn, zowel in het klooster als daarbuiten.”

Eerder ensceneerde Carsen in Antwerpen zeven opera's van Puccini; in Keulen regisseerde hij Verdi's Otello en Falstaff. Ook deed hij Orlando van Händel en Die Zauberflöte van Mozart. Na deze klassieke opera's wilde hij een eigentijdse opera doen. Poulenc schreef met de Dialogues een werk vol stemmingen en sferen, waarin lang volgehouden, vloeiende melodielijnen worden afgewisseld door heftige uitbarstingen van het omvangrijke orkest. Er is drievoudig koper, twee harpen, een piano. Behalve dat treden er honderd figuranten op en bestaat het koor uit vijftig leden. Poulenc bereikt een ingehouden-religieuze sfeer door aan de muziek tijdens de dialogen een sacrale, uitgesponnen rust te geven.

Carsen begon als acteur bij het Britse gezelschap The Old Vic uit Bristol. Zijn manier van regisseren verraadt die achtergrond. Hij verlangt van de zangeressen de intensiteit van theatraal geschoolde actrices. In een repetitie van de sterfscène van Moeder Overste, gezongen door Rita Gorr, die ook meedeed aan de Parijse première, doet hij al haar handelingen voor. Dat is voor een operaregisseur een zeldzaamheid. Carsen knielt op de grond zoals Gorr dat ook moet doen in haar gevecht tegen de dood. Hij laat haar in het luchtledige tasten alsof ze zich vastklampt aan de telkens wijkende beeltenis van Christus. Na nog een enkele aanwijzing van Carsen, bijvoorbeeld hoe de zangeres haar handen ver en vol angst ten hemel gestrekt moet houden - en Rita Gorr vertolkt de vreeswekkende dood van moeder-overste. Vanaf dat moment is de dood in deze opera onuitwisbaar aanwezig.

    • Kester Freriks