Geruimd

Bestaat literatuur uit stromingen, tijdschriften, bewegingen en pamfletten, of uit schrijvers, boeken, gedichten? Flauwe vraag bijna, want het antwoord is overduidelijk. Het zijn de schrijvers die de literatuur maken, het is hun bijzonderheid, individualiteit, hun stijl, hun blik die een literatuur maken tot wat zij is.

Niet het soms opklinkende geroep van jongeren dat zij alles wel eens anders zullen gaan doen. Natuurlijk roepen jonge schrijvers dat, ze menen het ook, en als ze het werkelijk doen worden ze belangwekkende schrijvers - ieder voor zich. Sommige schreeuwers uit zo'n groep worden nooit veel bijzonders. Geeft ook niets.

De samenstellers van de nieuwe, semi-permanente tentoonstelling van het Letterkundig Museum, dat wil zeggen de tentoonstelling waaraan de eerstkomende vijf à tien jaar niets veranderd gaat worden, vonden het antwoord op bovengestelde vraag blijkbaar helemaal niet zo voor de hand liggend. “Mensen die een 'nieuwe ontwikkeling' inzetten krijgen ontegenzeggelijk meer kans”, zei een van hen in Trouw. 'Mensen' zijn in dit verband schrijvers en 'meer kans' betekent: wel of niet op de tentoonstelling vertegenwoordigd. De nieuwe tentoonstelling moest swingender, dramatischer, leuker - en vooral meer publieksgericht zijn. En dus heeft men, zoals directeur Anton Korteweg aan deze krant uitlegde 'gewerkt als een literatuurgeschiedenis: we leggen duidelijke accenten, zijn geen encyclopedie die iedereen evenveel aandacht geeft'. De tentoonstelling is een bonte verzameling geworden, met soms zeer uitbundige aandacht voor een tijdschrift (Criterium of Barbarber bijvoorbeeld) en soms zomaar een greep uit de dichters of schrijvers uit een periode (Poëzie 1965-1985 of Proza 1965-1990).

Heeft Margriet de Moor een nieuwe ontwikkeling in gang gezet? Welnee. Is ze een goede schrijfster? Zeker. Maar waarom ligt zij wel op de tentoonstelling, net als Nelleke Noordervliet, Adriaan van Dis en Tim Krabbé, die allemaal nog betrekkelijk kort geleden gedebuteerden, allemaal met een royale eigen vitrine, allemaal zonder stroming of vernieuwing - en waarom niet Willem Brakman, Andreas Burnier, Willem van Toorn, Alfred Kossmann. Die werden geruimd. Zijn die, ja wat eigenlijk? Te moeilijk? Te serieus? Te eigenaardig? Verkopen ze misschien niet goed genoeg? Schrijven ze al te lang, verschijnen ze te weinig op de televisie?

Het Letterkundig Museum is eindelijk met een verheugde sprong de moderne tijd ingesprongen. Het surft gezellig mee op de toptiengolven, het zegt dat het geen canon aanbiedt maar een tentoonstelling en doet net of het niet in de gaten heeft dat die tentoonstelling wel degelijk canoniserend werkt. Het doet net alsof er een opvatting aan deze tentoonstelling ten grondslag ligt, een beredeneerde literair-historische kijk, in plaats van dat men zich dan weer eens door een geinig pamflet, dan weer door publieksaandacht, dan weer door ruimtegebrek, dan weer door een strominkje, dan weer door een zot argument als dat Elisabeth Eijbers 'niet strikt Nederlands is' heeft laten leiden. Het museum heeft het principe dat het bij de vorige tentoonstelling nog hanteerde, om geen schrijvers te exposeren die minder dan vijftien jaar geleden debuteerden, losgelaten. Het resultaat is willekeur en onrechtvaardigheid.

Wat zou er nu logischer geweest zijn dan een mooie, nieuwe schrijverstentoonstelling te maken en geregeld opvallende, aandachttrekkende tentoonstellingen te organiseren van de nieuwste literatuur, de populairste, de geruchtmakendste uit heden en verleden? Nu is uit het zicht geraakt waar het echt om gaat: goede boeken van goede schrijvers.

    • Marjoleine de Vos