Fusie- en overnamegolf nog lang niet voorbij

De fusie- en overnamegolf in het (inter)nationale bedrijfsleven is nog lang niet voorbij. Het beste moet nog komen. Oranje-gevoel is leuk, maar Nederlandse topmanagers kijken begerig naar Frankrijk.

AMSTERDAM, 28 NOV. De afgelopen maanden hamsterden bedrijven als Unilever, Philips en KLM miljarden guldens door winstgevende activiteiten te verkopen. Waarom? Om in de race te blijven voor nieuwe overnames.

Iedereen doet het: van financiers (ING lijft BBL in) tot uitgevers (Wolters Kluwer en Reed Elsevier) en van dienstverleners (KPMG met Moret, Price Waterhouse met Coopers) tot automatisering (Getronics koopt Roccade).

De recordovername uit de 'wilde' jaren tachtig, toen voedings- en tabaksbedrijf RJR Nabisco voor 25 miljard dollar werd verkocht, is vorige maand overtroffen door het Amerikaanse telecommunicatiebedrijf Worldcom, dat 37 miljard dollar neertelde voor concurrent MCI. Dat de koper een paar keer in de overnamekandidaat past, illustreert de gekte. Dat de koper nog nooit winst heeft gemaakt, doet nauwelijks terzake.

De hausse aan overnames in het internationale bedrijfsleven is nog lang niet uitgewoed, zo blijkt uit een rapport van financieel adviseur Coopers & Lybrand dat gistermiddag is gepubliceerd. Sterker nog: de fusies en overnames worden nog veel groter, heftiger en misschien ook wel emotioneler. “Het is zeer onwaarschijnlijk dat deze trend al een piek bereikt heeft”, concludeert Coopers & Lybrand op basis van interviews met vijftien topondernemers. Onder hen zijn een paar van de meest frequente kopers, zoals Unilever, handelshuis Hagemeyer en industrieconcern Aalberts.

In plaats van een fusiegolf spreken de topmanagers zelf liever van een continu proces. Een van hen laat koeltjes weten zelfs “geen belangstelling te hebben in de eindigheid van de concentratie”. Het onderzoek, dat wordt gestaafd met anonieme citaten van de captains of industry, etaleert een ongeremde kuddegeest. Bijna elke ondernemer rept bezorgd over de steeds hogere prijzen voor overnames en klaagt over de prijsopdrijvende werking die veilingen van bedrijven hebben, maar tegelijkertijd blijven zij meedoen in de race.

“Klein kan niet meer”, stelt een bestuurder vast. Dat wil nog niet zeggen dat een overname geen prijsplafond heeft. Maar wanneer een acquisitie te duur wordt, valt volgens ondernemers niet te zeggen. “In zijn algemeenheid denk ik dat 8 tot 25 keer de winst reëel is”, stelt een topman. Juist de volle kassen van de ondernemingen zorgen voor een enorme prijsspiraal. “Er zijn weinig bedrijven met financiële problemen, zodat bijna iedereen mee kan bieden.”

Omdat acquisities zo duur zijn en groeien via overnames desondanks een must is, wordt het niet gemakkelijk om de koopwoede te rechtvaardigen. “Het dilemma is dat wij ook veel cash hebben, maar wij kunnen met deze niveaus een heleboel niet meer rechtvaardigen.”

Die rechtvaardiging wordt door de meeste ondernemers gevonden in het positieve effect op de winst per aandeel. Liefst binnen één jaar, zodat de buitenwereld niet twijfelt aan de voordelen van de acquisitie. De executives lijken vooral gevoelig voor de mening van financiële analisten die, nauwelijks een paar uur na de bekendmaking van de acquisitie, hun mening al gevormd hebben. Met alle gevolgen voor de aandelenkoers.

De invloed op de winst per aandeel is meteen al in het eerste jaar het leidende motief, maar ook de managers weten dat die op korte termijn nauwelijks iets zegt over de kwaliteit van de investering, dus over de waarde van het bedrijf voor beleggers (shareholder value) op langere termijn.

“Wanneer je daarover met de bestuurder doorpraat, merk je dat ze in een keurslijf van de beurs zitten. Natuurlijk weten ze dat een acquisitie voor de korte termijn, de shareholder value op langere termijn kan verminderen. Maar dat is heel moeilijk uit te leggen aan de buitenwereld”, aldus Paul Koster, opsteller van het rapport.

Niet alleen de effectenbeurs lijdt aan kortzichtigheid. Volgens de topondernemers hebben de Nederlandse politici er ook last van. Den Haag doet volgens de vijftien bestuurders te weinig om de mooie bedrijven in Nederlandse handen te houden. “De regering moet zorgen dat de ontwikkelingskosten niet te hoog zijn. Dat bepaalt de kans die wij hebben om de kennisintensieve bedrijven binnen Nederland te houden.”

De politiek komt sowieso te weinig op voor het Oranje-gevoel. Zeker in Brussel. “De Fransen en Belgen trekken zich geen lor aan van de aanbestedingsregelingen.” Curieus is dat het 'geraffineerde' Frankrijk meerdere malen in het onderzoek als voorbeeld wordt gesteld. Daar spelen bedrijfsleven en politiek elkaar wel de bal toe, maar staatssteun heeft Franse bedrijven (Crèdit Lyonnais, France Telecom, Thomson) tevens zo verwend dat aan hun zelfstandige overlevingskracht getwijfeld kan worden.

    • Erik van der Walle
    • Menno Tamminga