De nee-zegger had gelijk

De radio-uitzending van de VPRO op 9 november, over de verbindingen van hoofdredacties met inlichtingendiensten in de periode van de Koude Oorlog - waarin ik samen met de historicus Paul Koedijk, de Dezer Dagen columnist van deze krant J.L. Heldring en de gepensioneerde BVD-voorlichter C.van den Heuvel optrad - heeft het effect van een sneeuwbal gekregen. Als degene die de uitzending heeft aangezwengeld en er in 1959/196O bijstond en naar keek is het nuttig in het kort op een rij te zetten wat er echt is gebeurd.

Op een mooie zomerdag in 1959 of 1960 - de data staan mij niet meer scherp voor de geest - werd ik als verslaggever van Het Parool binnen geroepen bij de toenmalige hoofdredacteur (vorig jaar overleden) dr. P.J.Koets. In de hoofdredactionele kamer zat de alom gerespecteerde redacteur van de NRC (nog niet NRC Handelsblad) mr. Jérome L. Heldring. Hij kwam met een voorstel. Wilde ik hem begeleiden op een reis naar de toenmalige Sovjet-Unie, en wel zover mogelijk naar het oosten - dus naar de regio's Kazachstan, Turkmenistan etcetera. De reis werd geheel betaald door 'een' inlichtingendienst (dat bleek de Inlichtingendienst Buitenland te zijn), en omdat bekend was dat ik in die tijd óók werkte voor bladen als Time/Life, niet alleen als schrijver maar ook als fotograaf, werd ik geacht het fotowerk te doen en zo mogelijk militaire voertuigen, radarposten etcetera te kieken. Koets merkte nog op, het hem bekende taalgebruik hanterend, dat hij mijn artikelen “gaarne in de courant zou doen afdrukken”.

Heldring zei voor de VPRO microfoon op de door mij zeer bewonderde, losse charmant-arrogante wijze, “dat Endt helaas niet mee wilde”. En in zijn column van dinsdag 25 november zegt hij dat zijn “verplichtingen jegens die inlichtingendienst” nihil waren omdat zij verwerkt werden in een rapport waarin niet veel meer stond dan wat iedere toerist die zijn ogen openhoudt zou schrijven”.

Daar nu denk ik toch anders over: het fototoestel is in dictatoriale landen - zoals de Sovjet-Unie - nóg een scherper wapen dan de pen. Wat de lens vastlegt kan moeilijk ontkend worden. Het risico voor de fotograaf is daar veel groter dan voor de toerist spelende schrijver. Maar er kwam nog iets bij. “Endt moest dan wel”, aldus Heldring op die mooie zomerdag in '59/'6O op de militaire inlichtingenschool in Harderwijk een cursusje volgen in het herkennen van radarposten en andere zaken waarvan hij, terecht, verwachtte dat ik er niets van wist. Maar ik zei “nee”. En waarom dan niet, vroegen Koets en Heldring. Omdat ik, zei ik in volle eerlijkheid, een 'schijtlaars' ben en het in mijn broek zal doen als de trein de grens gepasseerd is, niet zal slapen of eten van angst. Ook omdat ik er zeker van was dat, wanneer ik de deur van de spionnenschool achter mij had gesloten, de KGB in Moskou al wist dat 'ene Endt er aan kwam'. Bovendien wist ik door mijn Hongaarse pleegzoon, die zijn diensttijd op die school moest doorbrengen omdat hij in communistisch Hongarije als kind Russisch moest leren, dat het op die school een amateuristische bende was. Géén Siberisch werkkamp voor mij!

Heldring zei ja, nam zijn vrouw mee omdat hij niemand anders kon vinden en behoeft zich - volgens mij - 37 jaar later niet te verontschuldigen. Ik zei nee, niet uit journalistiek fatsoen of idealisme - er was toén nóóit geld bij krantenredacties voor reizen van 'gewone' verslaggevers, tenzij het gratis was en ik had dus best gewild - , maar ik zei nee omdat ik niet dorst. Zo is dat gegaan.

Overigens: Korte tijd later werden twee zeelieden, Reydon en De Jager, gearresteerd op een volstrekt identieke reis. Zij hebben jaren in de Goelag doorgebracht. De nee-zegger had gelijk.