De koningsdrama's van Shakespeare in de taal van Tom Lanoye; Het gaat om de scherven

Negen uur duurt 'Ten Oorlog', de bewerking die Tom Lanoye maakte van Shakespeares weergave van de Rozenoorlogen, 'acht van de trap gegooide en weer in elkaar gezette Shakespeare-stukken'. De mega-onderneming veroorzaakt rugpijn, ontroering, ruzie en mededogen. “Kijk om je heen, het gaat over de wereld van vandaag.”

Ten Oorlog naar Shakespeare van Tom Lanoye door Blauwe Maandag Compagnie. Te zien: de Singel, Antwerpen t/m 20-12. Schouwburg Rotterdam 7 t/m 24-1. De delen zijn ook afzonderlijk te zien, marathons alleen in de weekends. Inl. België: 0032 3 2482828. Inl. Rotterdam: 010 4118110

De tekst is uitgegeven door Prometheus en kost ƒ 45,-

Ik tors een loden last. In mijn tas zitten drie delen van Dr. L.A.J. Burgersdijk's vertalingen van Shakespeare, de drie delen met de history plays. Dat is niet alles. Voor alle zekerheid heb ik er van dezelfde stukken ook nog andere vertalingen in gestopt: drie van Richard II, - waarvan één in het Frans vanwege de vele passages die ik er ooit in onderstreepte - één van Hendrik IV, V en VI en twee van Richard III. Daarnaast een stapel kopieën uit naslagwerken: beschouwingen, 'critical studies', stambomen.

Alles voor alle zekerheid.

Ik kan naar Gent.

Uiteraard zitten in mijn tas ook de drie delen van Ten Oorlog, de vertaling-bewerking van de voornoemde Shakespeare-stukken, van de Vlaamse schrijver Tom Lanoye. In België ga ik de marathon-enscenering ervan bijwonen, van regisseur Luk Perceval bij de Blauwe Maandag Compagnie. Lanoye heeft allemachtig veel geschrapt uit het origineel, de namen van de titelhelden verhaspeld, het accent verschoven van het ene naar het andere personage en de taal in the wars of the roses van archaïsch via 'modern' in gangsta rap laten verkeren.

De vermetele Lanoye is bij Shakespeare op schoot gekropen en heeft op het klavier van diens pc een cover van de originals zitten componeren. Met behoud van genoeg van het origineel om het copyright bij de meester zelf te laten berusten.

Dat is nu juist het probleem.

Thuis heb ik de bewerking en het bewerkte naast elkaar gelegd, eindeloos pendelend tussen die twee, in een poging het resultaat van Lanoyes twee jaar lange gevecht met 'het materiaal' te doorgronden en te wegen. Dat (mijn poging bedoel ik) lukte maar half, nee, minder dan dat, nu ja, eigenlijk helemaal niet.

Vandaar die tas.

Als al die hertogen van Surrey, Gent en Clarence, al die graven van Warwick, Salisbury en Suffolk, van Northumberland en March, de Talbots en de Plantagenets, de Simpcoxs en de Oxfords, de veldslagen bij Wakefield, Banbury en Agincourt, al die gevleugelde woorden van deze of gene koning, hun falen en slagen, hun echtgenotes en kinderen, hun moorden en eigen dood - als dat allemaal en nog veel meer niet paraat in mijn hoofd wil blijven zitten - dan zit het ten minste nog in die tas.

Ik moet, vind ik, te allen tijde kunnen duiden wat ik zie, daar op het toneel. Theater is een vluchtige kunstsoort, het is nu of nooit.

Zo ging ik erheen, naar Gent, en zo - onzeker ondanks alle zekerheid - nam ik plaats in een beroerde stoel waar ik de komende helft van een etmaal toe veroordeeld was. Pijn in de rug na verloop van tijd, hoofdpijn ook, zo benauwd als het is in Theater de Vooruit, geen beenruimte. En: bij lange na geen gelegenheid, plaats of licht genoeg om op de momenten waarop mijn gezelschap en ik elkaar vraagtekens toefluisteren (wie? waar? waarom gebeurt dit? wat zegt-ie?) eens even mijn bibliotheekje te raadplegen.

Terwijl we tijdens de drie korte pauzes en éen langere snelle broodjes verorberen, dringen we noodgedwongen tot kernen door: het gaat om de opkomst en ondergang van zes koningen en de manipulatie, de corruptie, de misdaad en de ontaarding van karakters, die daarmee gepaard gaan. Zo eenvoudig is het. Kijk om je heen, het gaat over de wereld van vandaag. Hier in dit arme België over Dutroux natuurlijk, maar ook over Honnecker en Pinochet, over de als twee druppels water op 'Richaar Deuzième' gelijkende koning Sihanouk, over de tragische Winnie Mandela, over Lady Di, over Thatcher, ja, over Lubbers ook.

En over Kok en Schmitz.

Over onszelf.

Over schijn die bedriegt en het bedrog zelf.

Over kunst dus.

Ten Oorlog is een blijk van de triomf van de kunst.

Dat laatste bedenk ik als ik weer thuis ben. Kijk naar wat de bewerker en regisseur met de verhalen van Shakespeare hebben gedaan. Naar wat ze geschrapt hebben om ons niet nog langer in die benarde stoelen gegijzeld te houden. Geschrapt hebben ze de geschiedenis, de historische feiten en alle daarmee samenhangende onbelangrijkere personages en verhaallijnen. Ze hebben weliswaar nog heel wat geschiedenis gespaard, maar niet met de bedoeling ons ervan te doordringen dat koning Richard II Engeland regeerde van 1377 tot 1399 of dat Richmond, een Tudor, op 7 augustus 1485 uit ballingschap in Frankrijk naar Engeland terugkeerde, de legers van Richard III versloeg en aldus een eind maakte aan de zich bijna een eeuw voortslepende Rozenoorlogen tussen de huizen Lancaster en York.

De geschiedenis, de concrete, verifieerbare feiten, zijn nauwelijks van belang. Ze zijn niet meer dan een vehikel van waar het de makers van Ten Oorlog en ook ons, als toeschouwers, om begonnen is. Ons collectieve doel is niet concreet en verifieerbaar. We willen iets heel anders dan feiten. We willen inzicht krijgen in hoe de wereld in elkaar steekt, we willen parallellen ontwaren tussen tot fictie gemaakte geschiedenis en de geschiedenis (die van vandaag bijvoorbeeld) zelf, we willen Sihanouk en Di herkennen, en Lubbers en onszelf en de situatie op kantoor. Ook willen we - hoe plezierig onwetendheid daaromtrent ook zijn mag - weet hebben van de gruwelijkheid waartoe we in staat zijn en, erger nog, bereid.

Bezien op deze manier doet de geschiedenis in mijn tas er al heel wat minder toe. Maar de ambitie van de makers van Ten Oorlog en die van ons reikt nog heel wat verder.

Wat zij van hun kant en wij van de onze ten diepste willen is ontroeren en ontroerd worden.

De wetenschap dat de antieke Grieken een zekere welvaart kenden en democratie, biedt ons inzicht in hun beschaving en zelfs in de onze, maar ontroeren doet het niet. Ontroerd raken we niet door de cijfers van hun economische groei, maar door hun overgeleverde tragedies, hun bouwwerken, hun beeldhouwwerk (weliswaar mogelijk gemaakt door hun welvaart, maar die is toch niet meer dan een voorwaarde, een omstandigheid).

Tot ontroeren op, om zo te zeggen, georganiseerde wijze is alleen kunst in staat, en onder 'kunst' mogen in dit verband ook religieuze ceremonies en de bijbel verstaan worden. Dat is zelfs wel zo verhelderend, omdat het dan geen uitleg behoeft dat kunst, in alle aardse ontoereikendheid, ons het dichtste in de buurt brengt van, zoals Reve het noemt, het wereldraadsel. (Gezindten mogen dat ook God noemen, het doet er niet toe.)

Ik zit in Gent en kijk naar de enscenering van acht van de trap gegooide en weer in elkaar gezette Shakespeare-stukken. Exclusief pauzes negen uur durend theater op marathon-formaat dat momenten van verveling telt, van verwarring en van verrukking. Ik kijk naar de wederwaardigheden van zes koningen (uitvergrote exemplaren van mensen zoals u en ik) en gruw van hun machtswellust en bloeddorst, meestentijds fraai gestileerd, met een maximum aan effect maar zonder effectbejag. Je gruwt maar je wordt ook medeplichtig, naar ik vermoed door de cyclische patronen in de voorstelling: de dialectiek van wraak op wraak in stuk na stuk is althans begrijpelijk (noodzakelijk, zouden marxisten zeggen).

Daarbij speelt de tragiek van de dader een rol. Die wordt onvermijdelijk slachtoffer, eens wordt de bloedhond underdog. Wie slacht is een slechterik, maar wie geslacht wordt, kan rekenen op je sympathie. Hetgeen bij Shakespeare per saldo betekent dat vrijwel alle personages zowel weerzin als mededogen opwekken.

Dat is, afgezien van respect voor de mega-onderneming, wat je bevangt tijdens het kijken naar Ten Oorlog: besef van betrekkelijkheid, besef van de eigen neiging tot opportunisme, besef dat principes aan bederf onderhevig zijn. Een gevoel van saamhorigheid ook, al ben je het lang niet eens met elkaar in de pauzes, die trouwens te kort zijn om een echte ruzie op touw te zetten. Maar het rendement is groter dan dat alleen. Al lijkt het kleiner, want het geheugen kan de voorstelling in haar geheel niet bevatten. Juist door de lengte van de voorstelling realiseer je je eens te meer dat er slechts beelden resten, beelden die niet toevallig samenvallen met de momenten waarop de gezochte ontroering gevonden werd. Het zijn er wat mij betreft vier, vijf, maar één zou al voldoende zijn geweest. Het gaat niet om het verhaal, dat vehikel dat slechts de context is om die momenten van ontroering te kleuren en kracht bij te zetten. Het gaat, als in archeologie, om de scherven, het enkele detail, dat herinneringen oproept, voor jou persoonlijk en soms, tot je verrassing en blijdschap, voor ons allemaal. Zelfs die scherf, hoe klein ook, blijk je te kunnen delen.

Dat is de kracht van kunst, die uitstijgt boven de feitelijkheid van de geschiedenis, boven de logische redenering, boven het gewicht van fraude op de beurs of van stijgende of dalende conjunctuur. Het zijn woorden voor op de kansel, maar vooruit maar: het belangwekkendste produkt van geschiedenis is kunst en het is kunst die over diezelfde geschiedenis de belangwekkendste mededelingen doet.

Al is het rendement uiteindelijk maar vier, vijf beelden, vier, vijf momenten van transcendente ervaring, of hoe dat ook heet. Daarom is Ten Oorlog een blijk van de triomf van de kunst, als markante, roekeloze, hoogmoedige en vertederende poging om ons te ontroeren, ja, zelfs als die poging niet steeds even geslaagd is.

De bezoeker van Ten Oorlog hoeft zich niet te documenteren en te wapenen met voorkennis. Hij moet zich laten meevoeren door een stroom van beelden, desnoods erin verdrinken bij tijd en wijle, en erop vertrouwen dat de moeite beloond wordt.

Laat Burgersdijk dus maar thuis. Laat de kunst haar werk maar doen. Koester je onbevangenheid. Aanvaard je vermoeidheid die daar onherroepelijk aanslagen op gaat doen. Zet ogen en oren open. Laat de tassen vol geschiedenis maar thuis. Of dicht.

    • Pieter Kottman