De globalisering heeft averij opgelopen

Dreigt er een Melt Down, een Tidal Wave, of gaat het om een Limited Global Infection? Drie koppen op twee achtereenvolgende dagen op de voorpagina van de International Herald Tribune. De artikelen onder die koppen gingen over de crisis in de financiële economieën van Oost-Azië en de vraag of deze crisis de potentie heeft om over te slaan naar andere regio's.

Een nieuwe dominotheorie was geboren, ditmaal niet, zoals in de jaren zestig, over de opmars van het internationale communisme. Het virus zit nu in het kapitalisme zelf: vanuit Azië zou het Latijns Amerika, Oost-Europa en ten slotte zelfs de West-Europese en Amerikaanse economieën kunnen ondermijnen.

De Melt Down, een fenomeen dat zich in een kernreactor kan voordoen, sloeg op de mogelijkheid dat de economieën van Japan en de Aziatische tijgers zouden instorten. Het begrip werd gebruikt door minister Albright. De Tidal Wave, doorgaans een natuurverschijnsel, zou volgens waarnemers optreden wanneer de Aziaten hun overtollige producten zouden dumpen en zo de wereldmarkt een deflatoire impuls zouden geven. De idee van een Limited Global Infection was geïnspireerd door de onderkoelde reactie van de leiders van de landen rondom de Grote Oceaan, deze week bijeen in Vancouver. Hun boodschap: als iedereen zich inzet voor beheersing van de crisis gaan de getroffen landen een paar zware jaren tegemoet, maar hun offers zullen worden beloond. De rijke Westerse wereld zal het hooguit met een enkel procentpunt economische groei minder moeten doen.

Het hangt er maar vanaf vanuit welk gezichtspunt de crisis wordt benaderd. De wereldleiders zullen er anders tegen aan kijken dan bijvoorbeeld de klerken van de Koreaanse centrale bank die op straat dreigen te worden gezet. En tegenvallende groei doet zich anders voor aan de deskundige waarnemer dan aan de afhankelijke bevolking. De een voelt zich bij het diagnosticeren van een moeilijk te beheersen infectie ongemakkelijk, de ander wordt er direct doodziek van. In zoverre gaat de vergelijking met een ziektebeeld wel op. De ondergang van het beleggingshuis Yamaichi stimuleert mogelijkerwijs de al jaren uitgestelde maar noodzakelijke sanering van Japans financiële huishouding en is zo bezien een blessing in disguise, maar de beleggers die hun kapitaal zien wegsmelten als sneeuw voor de zon zien die zegen graag aan zich voorbijgaan.

De foto van een betraande Shohei Nozawa, president van het failliete Yamaichi, heeft nagenoeg alle media gehaald. Nozawa had gefaald. Maar hij niet alleen. Nog niet zo lang geleden gold Oost-Azië als de voortrekker van de 21ste eeuw, zo niet van het nieuwe millennium. Die positie riep gemengde gevoelens op. De Aziatische markten boden kansen, maar de Aziatische entrepeneurs en hun goedkope arbeidskrachten werden ook beschouwd als gevaarlijke concurrenten, in het bijzonder voor de verzorgingsstaten in het zelfgenoegzame Europa. In Amerika werden aan de debetzijde van het verschijnsel vooral de strategische risico's gemeten. Wat betekende de Aziatische en in het bijzonder de Japanse en vervolgens nog meer de Chinese opmars voor de geopolitieke positie van de Verenigde Staten?

Waar is het fout gegaan? Het antwoord op die vraag is niet eensluidend. De leiders en waarnemers in het Westen leggen de verantwoordelijkheid bij de Aziatische regeringen en bij de Aziatische financiële conglomeraten die de regeringen beheersen. Hun transacties zouden veelal het daglicht niet hebben kunnen velen. De schuldenlast die zij hebben laten ontstaan moest wel tot een crisis leiden.

Maleisiës premier Mahathir Mohamad geeft daarentegen de schuld aan Westerse speculanten die hun kapitaal weghaalden op het moment dat dit het meest nodig was. Zij zouden de crisis hebben veroorzaakt. Mahathir krijgt in het openbaar niet veel bijval meer, maar dat de Aziatische leiders zich door het Westen vernederd voelen staat vast. De Koreaanse regering heeft, na Thailand en Indonesië, ten langen leste maar nog steeds schoorvoetend het IMF in huis moeten halen om orde op zaken te stellen. Het IMF wordt in Azië, ondanks zijn naam, beschouwd als een Westerse, door de Amerikanen gedomineerde instelling. Het 'internationale' medicijn smaakt meestal zeer bitter. Het elfde industrieland ter wereld moet een drankje slikken dat volgens de traditie voor in het slop geraakte ontwikkelingslanden is bestemd.

De dokters schrijven bekende recepten: marktopening ten behoeve van het buitenland, deregulering, transparantie van de (financiële) markten, transparantie van de wet- en regelgeving, beëindiging van de beïnvloeding van regeringen door de conglomeraten, bestrijding van corruptie en nog zo wat. Het moet niet al te moeilijk zijn, menen zij. Tenslotte hebben nogal wat personen op sleutelposities in Aziatische hoofdsteden aan Westerse universiteiten een gedegen economische opleiding gehad. De economische leer van het Westen moet tot Azië doordringen wil een ommekeer kans van slagen hebben. Het corporatistische kapitalisme heeft zogezegd zijn tijd gehad. In Vancouver hebben de Aziatische leiders zich van hun meegaande kant laten zien. President Clinton doceerde, de Aziaten volgden oplettend zijn colleges. Maar het zou niet de eerste keer zijn dat die leiders, eenmaal thuis, het geleerde weer snel proberen te vergeten. De tegenkrachten blijven aanzienlijk. De regeringen zijn nauwelijks in een positie om de lessen toe te passen, tezeer verstrengeld als zij zijn met praktijken die in het Westen worden veroordeeld, maar in Azië tot de dagelijkse normaliteit behoren.

De jaren na de val van de Muur hebben aangetoond dat landen minder waren veranderd dan was aangenomen. De verwoestende invloed van de commando-economieën in de betrokken samenlevingen mag niet worden weggeschreven, maar de historische werkelijkheid was grotendeels overeind gebleven. De hernieuwde positie van de kerk in Rusland en in Polen, de opvallende en soms desastreuze functie van etniciteit, de democratie van bovenaf voorzover er van democratie sprake was, de zwakte van de staatsinstellingen wanneer het op verzakelijking aankwam, waren deels een verrassing, deels een herinnering aan voorrevolutionaire en vooroorlogse tijden.

Het Westen, Amerika voorop, heeft daar de simpele leuze van marktwerking en democratie van onderop tegenover gesteld. In Azië werkt de markt. De crisis is een rechtstreeks gevolg van de disciplinerende werking van de markt. Maar met de democratisering van onderop, met de transparantie van besturen en zaken doen is het slecht gesteld. Daar ligt de doorslaggevende oorzaak. Eén Vancouver verandert dat niet. De globalisering heeft averij opgelopen.

    • J.H. Sampiemon