Beurzen

De Nederlandse schrijver of dichter die van zijn boeken kan leven is een gezegende figuur. Mulisch, Palmen en Van der Heijden verkopen per titel tienduizenden exemplaren en verdienen met hun royalties, aangevuld met vertaalrechten en om de zoveel tijd een lezing, een aardig inkomen. Voor negentig procent van hun collega's ligt dat anders.

Zij verkopen misschien duizend, tweeduizend exemplaren per boek en liggen het grootste deel van de tijd aan het infuus bij een andere inkomstenbron: de subsidiepot.

De belangrijkste literaire subsidies worden verdeeld door het Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds. Van die twee is het Fonds voor de Letteren het belangrijkst voor de individuele schrijvers. Dit kent de werkbeurzen toe die veel auteurs nodig hebben om zich überhaupt vrij te kunnen maken voor het schrijven.

De werkbeurzen voor Nederlandse schrijvers, dichters en essayisten worden doorgaans voor twee of drie jaar toegekend en zijn in categorieën onderverdeeld: beurzen van twaalf maandeenheden (12 x ƒ 4.800 oftewel ƒ 57.600 bruto per jaar), 10-maandsbeurzen (ƒ 48.000), 8-maandsbeurzen (ƒ 38.400), 6-maandsbeurzen (ƒ 28.800), 5-maandsbeurzen (ƒ 24.000) 4-maandsbeurzen (ƒ 18.400), 3-maandsbeurzen (ƒ 14.400) en projectwerkbeurzen (drie maandeenheden).

Een blik op de jaarverslagen van de afgelopen vier jaar leert dat wie eenmaal een plaatsje op deze ranglijst heeft verworven, dat niet zo snel meer hoeft af te staan. Dat geldt zeker voor de hoogste categorie: H.C. ten Berge, Jeroen Brouwers, Louis Ferron, Jacques Hamelink, Geerten Meijsing en Jacq Vogelaar stonden in 1994 voor een 12-maandsbeurs genoteerd en hebben die ook in 1997 weer ontvangen.

Dat vrij statische karakter is beleid, zo bleek uit het aprilnummer van Het Schrijvershuis, huisorgaan van het Fonds voor de Letteren. Hierin zei Nelleke Noordervliet, toenmalig voorzitter van het bestuur: 'Er zijn verplichtingen aangegaan in het verleden: wie eenmaal in het systeem zit verdient dat ook en wordt niet zomaar teruggezet'.'

De groep van 10-maandsbeurzen herbergt momenteel slechts twee namen: Leonard Nolens en Kees Ouwens. Alle categorieën hieronder vormen traditiegetrouw het peloton van de gesubsidieerde literatuur. Zo ontvingen dit jaar twintig schrijvers een 8-maandsbeurs (onder wie Oek de Jong, Eric de Kuyper en Lidy van Marissing), kregen 37 auteurs zes maandeenheden subsidie (onder meer Robert Anker, Marion Bloem en Tonny Vos-Dahmen von Buchholz) en moesten tweeëntachtig anderen het doen met een driemaandsbeurs (zoals Kees van Beijnum, Halil Gür en Jan Kal).

Hiermee was de subsidiekoek nog niet op. Schrijvers kunnen ook aanvullende honoraria aanvragen bij het Fonds. Zo ontving H.C. ten Berge voor zijn bundel De honkvaste reiziger in 1995 een bedrag van ƒ 5.000 en Jeroen Brouwers ƒ 4.000 voor Het aardigste volk ter wereld uit 1996.