'Wetenschappelijk bedrog kan fatale gevolgen hebben'; Farmaceutisch onderzoek ter discussie

De kwaliteit van onderzoek naar geneesmiddelen staat ter discussie, aldus prof. dr. Jonkman. Zo leiden fraude en tijdsdruk tot grote commerciële en maatschappelijke risico's.

ROTTERDAM, 27 NOV. Geneesmiddelenonderzoek in universitaire centra zou aan dezelfde wettelijke kwaliteitsnormen moeten voldoen als in industriële onderzoekscentra. Dat vindt professor dr. J.H.G. Jonkman, die deze week het ambt aanvaardde van hoogleraar 'kwaliteitsmanagement van geneesmiddelenonderzoek en -productie' in Groningen.

Jonkman, ook directeur van Pharma Bio-Research International (klinisch onderzoek voor farmaceutische bedrijven) in Zuidlaren, noemde het in zijn inaugurele rede “niet meer maatschappelijk verantwoord” om onderzoek te verrichten zonder de zogeheten Good Laboratory Practices (GLP) of Good Clinical Practices (GCP) te volgen. Deze strenge richtlijnen gelden als wereldstandaard.

Hij wees erop dat de noodzaak voor GCP-regels werd ingegeven door in de jaren zestig en zeventig geconstateerde tekortkomingen bij de uitvoering van klinisch onderzoek. “Het thalidomidedrama (Softenon), met zijn 8.000 gevallen van ernstig mismaakte baby's, deed de medische en farmaceutische wereld beseffen dat diepgang en zorgvuldigheid van geneesmiddelenonderzoek moest worden vergroot.”

In de meeste landen hebben de autoriteiten die geneesmiddelen registreren al verklaard geen resultaten meer te accepteren van studies die niet volgens GLP en GCP zijn uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor de acceptatie van artikelen door enkele belangrijke vaktijdschriften. Jonkman: “Hiermee worden ook de universitaire instituten gedwongen zich aan te passen. Anders droogt een belangrijke financiële bron voor ondersteuning van onderzoek - door de farmaceutische industrie - op.”

In sommige academische kringen wordt wel gesproken over uitvoering van onderzoek volgens Good Academic Research Practices (GARP). Jonkman beschouwt dit als een afgezwakte versie van GCP en GLP. “We moeten ons goed realiseren dat GARP geen wettelijke geldigheid heeft.”

In Nederland berust het toezicht op de GLP-richtlijnen bij het Staatstoezicht op de Volksgezondheid en bij de Veterinaire Hoofdinspectie. Na uitvoerige inspectie kan een officiële verklaring worden verkregen dat een laboratorium voldoet aan de eisen. Vorig jaar hadden 34 Nederlandse laboratoria zo'n certificaat. Maar daar zit nog steeds geen enkel universitair laboratorium bij, aldus Jonkman.

Hij waarschuwde ook voor andere factoren die afbreuk kunnen doen aan de kwaliteit van farmaceutisch onderzoek. Wetenschappelijke onderzoekers kunnen volgens hem blootgesteld worden aan “een heel scala van invloeden die de integriteit en de kwaliteit van hun werk negatief zouden kunnen beïnvloeden.”

Wetenschappelijke fraude is een fenomeen dat niet in de laatste plaats de farmaceutische industrie bedreigt. “In 1992 voerde Van Kolfschooten een enquête uit onder 500 Nederlandse wetenschappers. Van de 93 respondenten gaf 73 procent aan voorbeelden van bedrog te kennen. Er werd in ruim 6 procent van de gevallen plagiaat en ruim 4 procent van de gevallen fraude gemeld. Het is niet uitgesloten dat - gezien de grote belangen die er liggen - wetenschappelijk wangedrag vaker voorkomt in biomedisch en farmaceutisch onderzoek,” aldus Jonkman.

“Lichte vormen van wetenschappelijk wangedrag komen voor in enkele procenten van alle research-projecten, terwijl ernstige gevallen voorkomen in een frequentie van enkele promillen. Hoewel met name deze laatste incidentie laag is, hadden de geconstateerde feiten vaak zeer ernstige gevolgen voor de fraudeur en de mensheid.”

Tijdsdruk speelt volgens Jonkman een steeds belangrijker rol bij de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen. “Nu de farmaceutische industrie door de overheden wordt gedwongen tot een buitengewoon zorgvuldig maar zéér tijdrovend ontwikkelingstraject met een beperkte terugverdienperiode, is het zaak zo efficiënt mogelijk te handelen en duidelijke tijdsafspraken te maken met de onderzoekers. Ook al zijn er motieven om fraude te plegen, fraude is pas mogelijk als de omstandigheden dit toelaten”, aldus Jonkman.

Als sprake is van een financiële ondersteuning bij productontwikkeling, dan kan een producent ernstig gedupeerd worden door verminderde afzet of doordat een middel van de markt moet worden gehaald. “Het kan zelfs gebeuren dat een fabrikant met grote schadeclaims van gebruikers wordt geconfronteerd.”

Jonkman: “Is sprake van onderzoek met een nog niet geregistreerd geneesmiddel, dan kan een ernstige vertraging van het registratieproces optreden. Dit kan ook grote financiële consequenties hebben voor het betrokken bedrijf. Maar ook, en dit is wellicht het belangrijkste, kan wetenschappelijk bedrog ernstige consequenties hebben voor de maatschappij. Zo kan het gebeuren dat een goed geneesmiddel ten onrechte aan patiënten wordt onthouden of komt een nieuw, werkzaam geneesmiddel later - en wellicht te laat - beschikbaar voor de patiënt.”

Zeer ernstig noemde Jonkman bijvoorbeeld de situatie in 1971 in Australië, toen veel vrouwelijke gebruikers van Imipramine abortus lieten verrichten nadat de frauduleuze onderzoeker McBride ten onrechte had beweerd dat dit middel aanleiding zou kunnen zijn tot geboorte-afwijkingen. “Het zou ook kunnen voorkomen dat negatieve eigenschappen van een medicament worden verdoezeld en dat een niet geheel veilig geneesmiddel op de markt wordt gebracht. Bedrog in wetenschappelijk onderzoek met levensreddende, medische hulpmiddelen - bijvoorbeeld pacemakers en hartkleppen - kan fatale gevolgen hebben. Met andere woorden: de gevolgen van fraude voor de maatschappij als geheel kunnen zeer groot zijn.”