Wat de creatieve geest vermag

Een gezicht voor gas, huizenhoge golven in de stad, koeien op het parkeerterrein en een kleur voor de A4. Jonge industrieel ontwerpers tonen hun kunnen.

Onder de Nederlandse bodem ligt een netwerk van 11.000 kilometer pijpleiding voor het transport van aardgas. Bovengronds worden die leidingen in het landschap gemarkeerd door kleine paaltjes met een dakje waar een registratienummer op staat. Wie er niet op verdacht is ziet ze nauwelijks. Maar dat zou kunnen veranderen als de Gasunie, beheerder van dat gasleidingennet, het advies opvolgt van twee jonge industrieel ontwerpers, Jeroen de Priester en David den Breejen. Zij suggereerden de paaltjes van verlichting te voorzien, die bij donker de loop van de ondergrondse leidingen zichtbaar maakt.

De verlichting is één van de oplossingen die De Priester en Den Breejen aandroegen in het kader van het vorige week afgesloten project Young Designers & Industry '97. Daarin krijgen pas afgestudeerde ontwerpers uit heel Europa de kans te laten zien wat zij kunnen betekenen voor bedrijven bij het zoeken naar innovatieve producten, diensten en communicatiestrategieën.

Het project werd vijf jaar geleden begonnen door het Sandberg Instituut (verbonden aan de Rietveld Academie in Amsterdam) en wordt sinds twee jaar samen met het Vormgevingsinstituut georganiseerd. Behalve jonge industrieel ontwerpers praktijkervaring te geven, beoogt het project vooral ook het bedrijfsleven de ogen te openen voor wat het creatieve brein vermag als het de ruimte krijgt om te experimenteren.

In totaal deden dit jaar elf bedrijven mee en het aardige was dat daar ook twee minder productgerichte organisaties bij zaten, namelijk de Gasunie en de combinatie ANWB en Rijkswaterstaat, die niet gewend zijn met designers te werken. De opdracht die de Gasunie formuleerde heeft als achtergrond dat de concurrentie op de energiemarkt scherper wordt. Manager marketingcommunications Chris Glerum: “Tot nog toe waren we eigenlijk vooral in competitie met andere energievormen. Maar de gaswereld is in beweging en we krijgen nu ook te maken met concurrentie van andere gasaanbieders. Dat leidt ertoe dat wij een grotere behoefte krijgen om ons te profileren. Met de kleine eindgebruiker hebben wij echter geen directe relatie en ons product staat zo ongeveer gelijk met de ultieme ongrijpbaarheid. Aan de ontwerpers hebben we de vraag voorgelegd hoe de Gasunie zich ruimtelijk zou kunnen manifesteren en ook hoe we ons specialisme van een ononderbroken levering van gas zichtbaar kunnen maken.”

Een van de invalshoeken die Jeroen de Priester en David den Breejen kozen was het letterlijk zichtbaar maken van warmte met behulp van thermische pigmenten. Gaspitten op een fornuis veranderen daarmee van kleur en maken de geproduceerde warmte zichtbaar. En op een met thermische verf behandelde verwarmingsradiator komt door de warmte een aanvankelijk onzichtbare voorstelling te voorschijn. Glerum: “Een aardige bijkomstigheid daarvan is dat je heel goed kunt zien hoe het warme water zich door de radiator beweegt. Dat principe gaan we wellicht gebruiken om op vakbeurzen ingewikkelde technische warmteprocessen inzichtelijk te maken.”

Ook de ontwerpers die werkten voor de ANWB en Rijkswaterstaat hebben nieuwe denkrichtingen opengelegd voor hun opdrachtgevers. De probleemstelling betrof in dit geval scenario's te bedenken voor het aantrekkelijker maken van transferia, de parkeerplaatsen aan de rand van steden waar men van de auto kan overstappen in openbaar vervoer. Het transferium onder de Arena in Amsterdam is exemplarisch voor het voorlopige fiasco van dit middel om binnensteden te ontlasten van autoverkeer. Ruim een jaar na de oplevering wordt er vrijwel geen gebruik van gemaakt.

Ontwerper Wim Poppinga keerde het probleem om. Als die parkeerterreinen dan toch - in ieder geval een deel van de tijd - leegstaan, gebruik ze dan voor iets anders, was zijn idee. Hij ontwikkelde een grote serie alternatieve toepassingen, van tennisbaan ('omdat er toch al lijnen op de grond staan') tot weiland met koeien die moeten inschikken naarmate er meer auto's parkeren. Andere gebruiksmogelijkheden zijn die van drive-in bioscoop, tijdelijk bedrijfsterrein met mobiele kantoorruimtes of een schaatsbaan. Speelse elementen bracht hij ook in: een loterij onder langparkeerders met de nummers van de parkeervakken en een alternatief voor de bollenvelden door de automobilisten korting te geven als ze hun auto op kleur gerangschikt parkeren.

Sam Schouten van de ANWB: “Uit de voorstellen van Poppinga komen thema's naar voren die niet met mooi of lelijk te maken hebben of met de fysieke uitvoering,maar met de vraag hoe je met die overstapplaatsen wilt omgaan. Deze ideeën helpen het traditionele denken binnen de verkeerswereld openbreken. We zullen de ontwerpers dan ook uitnodigen op een bijeenkomst met topmensen in onze business om hun ideeën te presenteren.”

Poppinga heeft overigens al vijfduizend gulden overgehouden aan zijn inbreng, de beloning behorend bij de Forbo Krommenie Award die aan het Young-Designersproject is verbonden.

Profijtelijk kan het project ook worden voor ontwerper Vince Vijsma die een brainwave had waar inmiddels patent op is aangevraagd. Vijsma werkte aan een opdracht voor de producent van aardappelzetmeel AVEBE. Dat bedrijf ontwikkelde enige jaren geleden een nieuwe, biologisch afbreekbare polymeer op basis van aardappelzetmeel die de naam Paragon kreeg. Het materiaal is oplosbaar in water en kan in een magnetron worden veranderd in een schuimige massa. Dat maakt het onder meer geschikt voor de productie van holle producten volgens de zogenaamde verloren-kernmethode.

Volgens Henk Jaap Meijer van AVEBE is het nieuwe materiaal in plaats van metaallegeringen te gebruiken bij de productie van pomp-behuizingen, mengkranen en andere technische onderdelen. AVEBE vroeg de ontwerpers of ze nog andere toepassingen voor deze techniek konden bedenken. Daaruit kwamen verschillende productontwerpen naar voren, maar het opvallendst waren enkele ideeën die de verloren-kernmethode links lieten liggen. Daaronder instant-kerstversiering die men zelf kan fabriceren in de magnetron en een bloembollenschroef die het planten van bollen vergemakkelijkt.

Ook Vijsma ging een andere richting op en bedacht dat Paragon gebruikt zou kunnen worden voor assemblage-doeleinden, als alternatief voor bijvoorbeeld schroeven. Dat zou vooral voordelen hebben bij het weer ontmantelen van producten. Een schroevendraaier komt er dan niet meer aan te pas, het product gaat simpelweg in een bak water en valt in onderdelen uiteen. Deze toepassing wordt bij AVEBE verder uitgewerkt.

De uitkomsten leerden Meijer dat er onverwachte resultaten zijn te behalen wanneer men ontwerpers zijn gang laat gaan. “De deelnemers voldeden niet allemaal aan de opdracht, maar die eigenwijsheid moet je niet inperken, want dat levert juist verrassingen op. Als producent van een halffabrikaat hadden wij niet eerder met ontwerpers gewerkt. Maar we hebben gemerkt dat je, wanneer je met een nieuw product aan de gang gaat, niet alleen moet samenwerken met je potentiële klanten, maar ook zelf innovaties moet aandragen. Daarom hebben we meegedaan en trouwens ook om het materiaal wat meer bekendheid te geven in de ontwerperswereld. Want het zijn toch vaak de industrieel ontwerpers die de keuze voor een materiaal maken.”

De bedrijven die deelnemen aan Young Designers & Industry betalen 10.000 gulden als bijdrage aan de organisatie plus de onkosten die de ontwerpers maken. Met de ontwerpers wordt een contract gesloten over het eventuele gebruik van de resultaten, maar honoraria krijgen ze niet. Dat heeft als voordeel dat zij in het project grote vrijheid krijgen. En daar komen mooie dingen uit voort. Het sportkledingbedrijf O'Neill is als modemerk gewend met vormgevers te werken, maar werd in dit project aangenaam verrast door nieuwe communicatieconcepten. Het bedrijf associeert zich met water en surfers en zou in de gedachtengang van Frank Tjepkema, John Maatman en Annekatrien van Meegen bijvoorbeeld eens met een foto op ware grootte opgehangen aan een flatgebouw in de stad kunnen laten zien wat het betekent dat een goede golf in zee acht verdiepingen hoog is.

Dat alle cases tijdens een tweedaags congres in Amsterdam tegelijk werden gepresenteerd, leverde ten slotte ook nog verrassende kruisbestuivingen op. Een project in opdracht van Sikkens Bouwverven en het Duitse bedrijf Merck dat een parelmoer-pigment op de markt brengt, prikkelde de verbeelding van Sam Schouten van de ANWB. “In de voorstellen van de ontwerpsters werd die parelmoerverf onder meer gebruikt op geluidswallen langs de weg. Wij zoeken al langer naar mogelijkheden om de infrastructuur te karakteriseren. Wegen in Nederland zien er, waar je ook bent, altijd hetzelfde uit. Dat heeft zijn functie, maar je zou die wegen toch iets meer persoonlijkheid willen geven. Toen ik die verf zag, dacht ik waarom zouden we de A4 niet geel maken en de A10 paars. Ik heb er nog een hele tijd over staan discussiëren met de ontwerpsters.”

    • Bas van Lier