Studie: jongeren oordelen negatiever over buurlanden

ROTTERDAM, 27 NOV. De houding van Nederlandse jongeren ten aanzien van Frankrijk is aanzienlijk negatiever dan twee jaar geleden. Van alle landen in Europa denken jongeren over Duitsland nog steeds het meest negatief.

Dit blijkt uit het derde onderzoek van het Nederlands instituut voor internationale betrekkingen Clingendael en de Rijksuniversiteit Leiden waarin middelbare scholieren elke twee jaar hun mening geven over de Europese lidstaten en hun inwoners.

In het vandaag uitgebrachte onderzoek 'Burenverdriet' valt op, dat de jongeren over alle Europese landen negatiever oordelen. Hoewel de meeste respondenten zeggen zich 'Europees' te voelen en sympathie te hebben voor Europa, beoordelen ze de afzonderlijke lidstaten negatiever dan in 1993 en 1995. De onderzoekers trekken daaruit de voorzichtige conclusie dat de scepsis onder jongeren over Europa toeneemt.

R. Aspeslagh van instituut Clingendael wijt de negatievere score van Frankrijk aan actuele zaken, zoals de kernproeven op het atol Mururoa en de kritiek van de Franse regering op het Nederlandse drugsbeleid. Ook de negatievere houding ten aanzien van België is volgens hem te verklaren uit de actualiteit: de affaire-Dutroux.

Daarentegen berust de negatieve houding jegens Duitsland - dat bij het eerste onderzoek in 1993 al uit de bus kwam als het land waar de minste sympathie voor bestaat - volgens Aspeslagh op historisch gegroeide “hardnekkige vooroordelen”. Die zouden zich ondanks voorlichting en berichten over de goede huidige verstandhouding tussen Duitsland en Nederland moeilijk laten bestrijden. “Beeldvorming heeft te maken met emoties en het kenmerk van emoties is dat ze taai zijn. Het beeld dat jongeren hebben van Duitsland wordt nog steeds bepaald door de Tweede Wereldoorlog.”

De steekproef werd gehouden onder 1.211 jongeren op dertien middelbare scholen in 181 verschillende plaatsen. Waar in 1995 nog 55 procent van de ondervraagden een positieve attitude had ten opzichte van Frankrijk, is die nu gedaald naar 44 procent. Het aantal jongeren met een negatieve houding ten opzichte van Frankrijk steeg van 14 procent naar 24 procent. De meeste jongeren (26 procent) vinden dat Frankrijk 'de wereld wil overheersen'; twee jaar geleden vond een meerderheid dat nog van Duitsland.

Pagina 3: Jongeren beoordelen Engeland positief

Duitsland en Frankrijk worden door een even groot aantal jongeren gezien als 'oorlogszuchtig' (18 procent); in 1995 vond 5 procent van de jongeren dat dit predikaat bij Frankrijk past. Aanzienlijk minder jongeren beoordelen Frankrijk als 'democratisch' en 'welvarend' dan in de voorgaande jaren. De houding ten aanzien van België is ook negatiever geworden. Waar positieve actuele gebeurtenissen nauwelijks invloed hebben op het beeld dat jongeren hebben van Duitsland, vermoeden de onderzoekers dat de afkeer van Frankrijk minder diep zit.

Behalve emoties hebben volgens de onderzoekers de media, het onderwijs en wat thuis wordt verteld veel invloed op jongeren. Zij pleiten daarom voor meer aandacht voor het naoorlogse Duitsland; in geschiedenisboeken wordt het democratische Duitsland volgens hen onderbelicht. Het gezamenlijk met de Duitsers herdenken van de Tweede Wereldoorlog zou volgens de onderzoekers ook helpen om het hardnekkige negatieve stereotype te veranderen.

Net als in de voorgaande jaren zijn jongeren over Nederland het meest positief. Het enige andere land dat een hoge positieve score haalt, is Engeland. Bij de vorige enquêtes was dat ook al het geval. Aspeslagh brengt de positieve beoordeling van Engeland door jongeren in verband met de bekendheid die zij hebben met de Engelse taal en met het feit dat Engeland op het gebied van popmuziek en jeugdcultuur de toon aangeeft.

Volgens Aspeslagh is het onderzoek van belang omdat de politieke vorming grotendeels plaatsheeft in de leeftijd tussen de veertien en de zestien jaar. Veel van de ideeën en stereotypen die ze dan ontwikkelen, blijven ze bij zich dragen. Bovendien zijn jongeren minder snel geneigd dan volwassenen om sociaal wenselijke antwoorden te geven, omdat ze de consequenties ervan minder goed overzien. Daarom zijn hun antwoorden een betrouwbare afspiegeling van hoe in de samenleving werkelijk wordt gedacht over Europese landen.

Emoties worden in de internationale betrekkingen ten onrechte onderbelicht, zegt Aspeslagh. “Zolang er geen grote problemen zijn in Europa, kun je emoties negeren. Maar zodra er een conflict ontstaat, wordt het een kruitvat.”