Screenen van politici ligt gevoelig

Van de vier grote partijen zijn de kandidatenlijsten in concept bekend. Maar hoe bekend is de precieze achtergrond van elke kandidaat? En wanneer wordt het inwinnen van inlichtingen een inbreuk op de privacy?

DEN HAAG, 27 NOV. Vier lijsten met bij elkaar meer dan tweehonderd kandidaten voor de Tweede Kamer. Zou er een nieuwe Hamid Houda bij zijn, een Evan Rozenblad of een infiltrant van de Grijze Wolven? De vier grote partijen hebben bij de opstelling van hun kandidatenlijsten dit jaar scherper opgelet dan ooit, maar honderd procent zekerheid is niet te krijgen.

“We lezen erover en alleen al daarom ontkomen we er niet aan vaker naar de achtergrond van kandidaten te kijken”, zegt Rixt Meines, voorlichter van het CDA, naar aanleiding van enkele aandachttrekkende incidenten met Kamerleden en raadsleden. “Er zijn door plaatselijke afdelingsvoorzitters meer consultaties dan vroeger van onze partijvoorzitter over de achtergrond van kandidaten.”

Drie jaar geleden moest PvdA-parlementariër Evan Rozenblad al na enkele weken zijn Kamerlidmaatschap neerleggen toen uitkwam dat hij zijn curriculum vitae te rooskleurig had voorgesteld. Zijn partijgenoot Hamid Houda moest onlangs vertrekken toen hij in opspraak raakte over zijn (bij)baan in zijn eigen textielbedrijf.

Verontrustender vinden de partijbesturen echter de berichten over infiltratie door sympathisanten van de extreem-rechtse Turkse organisatie Grijze Wolven. Eerder dit jaar werd een PvdA-raadslid in Beverwijk beschuldigd van banden met de Grijze Wolven. Deze beschuldiging werd later weer ingetrokken, maar vorige week heeft minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) opnieuw gewaarschuwd tegen de politieke activiteiten van de Grijze Wolven.

Dijkstals waarschuwing kwam op een moment dat de gemeentelijke afdeling van GroenLinks in Den Haag werd geconfronteerd met een plotselinge toestroom van leden van Turkse afkomst die probeerden één van hen hoog op de kandidatenlijst voor de gemeenteraadsverkiezingen te krijgen. De afdeling van het CDA in Arnhem overkwam afgelopen zomer hetzelfde: in één week veertig 'Turkse' leden erbij. Rixt Meines beschouwt dit overigens als “een incident”.

Een toestroom van leden zegt niets over negatieve bedoelingen, maar het roept wel de vraag op naar eventuele 'screening' van aspirant-politici. De PvdA in Amsterdam werd er vier jaar geleden door de politie op gewezen dat een lid van een Nederlands-Turkse bende heroïnesmokkelaars zich bij de partij had aangesloten. “Dat is het begin geweest van de serieuze discussie daarover”, zegt fractievoorzitter E. van der Laan. “Te veel screenen staat haaks op het democratisch principe dat er zoveel mogelijk mensen aan de politiek moeten kunnen meedoen. Maar anderszijds: als er één groep mensen van onberispelijk gedrag moeten zijn, dan zijn het de volksvertegenwoordigers.”

De partijen in de Amsterdamse gemeenteraad hebben naar aanleiding van dit incident met de burgemeester afgesproken dat via hem de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) kan worden geraadpleegd, als er “ernstige twijfel” over een kandidaat is.

Andersom kan ook de BVD besluiten de partijen te informeren als de veiligheidsdienst zelf informatie over verdachte activiteiten heeft. De lokale PvdA-afdeling heeft dit voorjaar de auteurs van een boek over de Grijze Wolven, Stella Braam en Mehmet Ulger, een voordracht laten houden voor een ieder die bij de Amsterdamse sociaal-democraten betrokken is bij het opstellen van kandidatenlijsten.

De 'Amsterdamse' afspraak met de BVD heeft tijdens overleg tussen minister Dijkstal en de partijvoorzitters landelijke reikwijdte gekregen. Of dit al tot ingrijpen in kandidaatstellingen heeft geleid, blijft onduidelijk. De meldingen door politieke partijen zijn ook “te incidenteel”, aldus een woordvoerster, om al van een toe- of afname te kunnen spreken. Over wat de BVD precies met die meldingen doet - alleen in bestanden kijken of ook actief op onderzoek uitgaan of niet - wil de woordvoerster geen mededelingen doen.

Is de samenwerking met de BVD het antwoord op de dreiging van extremistische organisaties, het actiever vragen van referenties door de partijen zelf is de reactie op 'affaires' als die rond Rozenblad en Houda. De commissie-Dunning, die de lijst van de PvdA heeft opgesteld, heeft iedere kandidaat om drie referenties gevraagd. Kandidaten zijn bovendien mondeling en later ook nog per brief gewezen op mogelijke risico's van het niet-melden van gevoelige informatie. Ook bij het CDA hebben nieuwe kandidaten een speciale brief gekregen waarin zij op dergelijke risico's werden gewezen.

Voorzitter A.J. Dunning van de PvdA-commissie: “Ieder kandidaat-Kamerlid moet weten dat hij de schijn des kwaads moet vermijden. We hebben gezegd: bedenk dat je straks blootstaat aan publiciteit en dat je jezelf en de partij schaadt als dingen naar buiten komen die je functioneren belasten”.

Dunning meent overigens dat onderzoek van partijen naar achtergronden van hun kandidaten beperkt moet blijven: “Je kunt redelijkerwijs allerlei informatie verzamelen, maar je stuit toch snel op de persoonlijke levenssfeer. Je gaat in je personeelsbeleid in zijn algemeen uit van goed vertrouwen in je mensen. Geen commissie kan weten of een kandidaat 'fatsoenlijk' is in het melden van zijn gegevens.” Problemen zijn hoe dan ook niet uit te sluiten: “Kamerleden zijn ook mensen. Het kan niet een gemeenschap van heiligen zijn. Het is een afspiegeling van de samenleving, dus zullen er altijd ongelukken gebeuren.”

D66 en VVD hebben bij de beoordeling van hun Kamerkandidaten geen extra toetsing toegepast. De voorzitter van de kandidaten-commissie van D66, oud-Kamerlid M.B. Engwirda, wijst erop dat het respecteren van de persoonlijke levenssfeer bij zijn partij een groot goed is. Daarnaast is het zo dat in deze relatief kleine partij leden elkaar redelijk goed kennen. Tenslotte, onderstreept Engwirda, heeft D66 op landelijk niveau nooit kwesties gehad met Kamerleden die door hun verleden in opspraak kwamen.

Van de honderd leden die zich aanmeldden voor de D66-kandidatenlijst, selecteerde de commissie er zesenzestig. Met ieder van deze nieuwe kandidaten sprak de commissie een half uur. Deze gesprekken gingen eerder over de politieke ideeën dan over de achtergronden van de kandidaten. De kandidatencommissie was bewust heel breed samengesteld om de kennis van de partij zo groot mogelijk te maken. Zo maakte van de commissie ook iemand van Surinaamse afkomst deel uit. Engwirda: “Iedere wereld heeft zijn eigen circuit en het is goed dat je dan mensen hebt die in hun wereld veel mensen kennen.”