Scheppingsdrang?

Sommige misdaden zijn weerzinwekkender, fascinerender of begrijpelijker dan andere. Belastingfraude is voorstelbaar maar oninteressant want platvloers; moord blijft onbegrijpelijk maar moordenaars zijn meestal onmachtig en zielig. Echte oplichters daarentegen kunnen heel boeiend zijn, zolang je ze niet gelooft.

Hoe moeten we de besnijder van Barnett Newmans schilderij Cathedra kwalificeren? Hij overtreedt de wet en is dus boef, maar heeft hij tegelijkertijd een artistieke daad gesteld?

Professor Cliteur heeft die stelling in NRC Handelsblad verdedigd, met als consequentie dat het doek niet gerestaureerd moet worden, want er is een nieuw kunstwerk ontstaan.

D. Kraaijpoel geeft in HP/De Tijd een suggestie om de messneden van mr Stanley te repareren: neem een huisschilder in de arm. Het kunstwerk van Newman is immers conceptueel, dus het concept is de eigenlijke artistieke scheppingsdaad. De uitvoering is secundair en kan, mits onder deskundig toezicht en volgens nauwkeurige specificaties, door een goeie vakman gebeuren. “Geen kunstenaar, want die gaat er iets van zichzelf in leggen.” Kraaijpoel schat dat de restauratie 'in de orde van tien tot vijftien mille' zal kosten. (Tenzij Fuchs de winterschilder belt, dat scheelt weer ƒ 10 subsidie per uur.)

Overigens maken de weekbladen zich niet erg druk over de verminking van dit kunstwerk. Meer aandacht is er voor een andere fascinerende zonde, die van René Diekstra. Niet onterecht, want plagiaat is buitengewoon mysterieuze en fascinerende overtreding van de normen. Rationeel zou ieder mens - en zeker een intellectueel - zeggen dat de voordelen van plagiaat nooit opwegen tegen het risico van ontdekking. En ontdekking is vrijwel zeker, omdat men doorgaans steelt uit het eigen vakgebied. Diekstra heeft vele tonnen verdiend met zijn boeken, maar voor andere bekende Nederlandse plagiators was het voordeel ogenschijnlijk klein, zeker als de straf min of meer levenslang is. Waarom hebben ze het dan toch gedaan?

Vermoedelijk niet na lang en zorgvuldig overwegen: “Zou ik die bladzijden nu toch maar pikken, of niet?” Ik geloof eerder dat er sprake moet zijn van een noodsituatie. Elke schrijver is wel eens onzeker over zijn talent, want dat moet in elk nieuw artikel of elk nieuw boek bewezen worden. Die onzekerheid leidt tot drentelen en dralen, tot angst en onzekerheid, soms tot een blokkade, en in ernstiger vorm tot bewustzijnsvernauwing waarin de kat rare sprongen gaat doen. Die periode van kokerdenken maakt dat de schrijver later niet meer weet dat hij gestolen heeft en daarom met grote geloofwaardigheid, ook voor hem zelf, ontkent. Zelfs als er geen ontkomen meer is, kan de plagiator niet plausibel uitleggen waaróm hij al die mooie zinnen heeft geleend.

Dit alles is maar theorie. Als die juist is, dan zal het aangekondigde boek van de psycholoog Diekstra dus ook geen licht brengen in de affaire. Net zo min trouwens als het boek dat een aantal Leidse vrienden te zijner verdediging hebben geschreven. Joost Niemöller komt in De Groene Amsterdammer tot de conclusie, dat 'Leiden in last. De Zaak-Diekstra' bestaat uit krompraat, drogredenen en moddergooierij. Diekstra wordt er allerminst door gerehabiliteerd, zoals de bedoeling was. Vrij Nederland, dat de zaak-Diekstra aan het rollen bracht, is evenmin overtuigd. Bijvoorbeeld niet door het argument van de vrienden ('de Hortusgroep') dat het overschrijven van andermans artikelen geoorloofd is als het gaat om populair-wetenschappelijk werk. De academische zuiverheid is dan ook niet in het geding, zeggen de vrienden, want onder niet-academici neemt men het niet zo nauw. Daarom had Diekstra nooit ontslagen mogen worden.

Waarom heeft Diekstra achteraf dan zoveel onderhandeld met auteurs, en zoveel geld betaald? Dr. Sol Gordon, van wie Diekstra hele pagina's overschreef voor zijn bestseller Als leven pijn doet zegt tevreden: “Neem maar van mij aan dat ik aan Diekstra's versie méér verdiend heb dan aan mijn eigen werk. Wat je ook van die man kunt beweren: zijn boeken verkopen!”