Produkten van Japans toedek-cultuur

Hoe kon het deze week failliet gegane effectenhuis Yamaichi verliezen zolang verborgen houden? Analis- ten menen dat het deels te maken heeft met ondeskun- digheid van het financiële toezicht maar deels ook met de Japanse toedek-cultuur (doen alsof je neus bloedt) en het zich verschuilen achter collectieve verant- woordelijkheid.

TOKIO, 27 NOV. Over de sluiting van het effectenhuis Yamaichi is inmiddels een grote ophef ontstaan rond verborgen verliezen, maar het eigenaardige is dat berichten hierover al veel langer de ronde deden. Toch begon het verantwoordelijke ministerie van Financiën pas afgelopen dinsdag met een onderzoek naar illegale praktijken, dus nà de aankondiging van Yamaichi dat het vrijwillig een punt zet achter de zaken.

Bijvoorbeeld eind augustus in het economisch weekblad Toyo Keizai. Een anonieme, voormalige medewerker van Yamaichi zei toen over de gevolgen van het klappen van de 'luchtbel' rond 1990: “Na het ineenstorten van de markt bleven de (aan de klant) beloofde winstpercentages uit en vluchten we in 'tobashi'.” Tobashi betekent letterlijk 'laten vliegen' en wil zeggen dat men koersverliezen op aandelen verbergt door ze bij een dochteronderneming of brievenbusbedrijf onder te brengen tegen een hogere waarde dan de markt biedt. Zoals uit het bovenstaande citaat blijkt en zoals ook in het recente schandaal rond afpersers, sokaiya, weer naar buiten is gekomen, belooft men aan bepaalde bevoorrechte cliënten winst. Als de koers daalt van aandelen die met het geld van deze klant zijn gekocht, dan moet de effectenhandelaar naar creative oplossingen zoeken.

Zes jaar geleden al werd de gehele effectenhandel getroffen door een schandaal rond de compensatie van koersverliezen aan vaste relaties en doken ook verhalen op over verborgen verliezen. De commissie voor controle op de effectenhandel concludeerde echter in 1993 dat het geen enkel bewijs kon vinden voor geruchten over het gebruik van de 'tobashi'-methode bij Yamaichi. Maandag maakte Yamaichi bekend dat het een verlies van vier miljard gulden in de huis had, dat juist met 'tobashi'-praktijken zeven jaar lang geheel buiten de boeken is gehouden.

Effectenhandelaar Kenji Umeda stelt misprijzend over de controle van financiële autoriteiten: “Ze hebben geen enkel verstand van effectenhandel. De controleurs zijn juristen die niets weten van de moderne ontwikkelingen als derivaten.” Mochten de controleurs wel te dicht bij zaken komen die ze niet hoeven te weten dan trakteert het bankpersoneel de ambtenaren simpelweg op een rondje golf en enkele copieuze maaltijden, zoals medewerkers van de Dai-Ichi Kangyo Bank bijvoorbeeld hebben gedaan. Toen het ministerie van Financiën deze bank afgelopen zomer bestrafte wegens illegale betalingen aan sokaiya Koike, kregen tegelijkertijd een tiental ambtenaren een officiële waarschuwing omdat ze zich uitgebreid hadden laten tracteren. Het was dan ook niet de verdienste van deze ambtenaren van Financiën dat dit schandaal rond Koike aan het licht kwam, maar van een speciale onderzoeksafdeling binnen het openbaar ministerie.

Naar aanleiding van de uitgebreide geruchten die over Yamaichi de ronde deden zonder dat de overheid aanleiding zag tot een diepgaand onderzoek, wijst een analist op een veel structureler probleem: “Het ministerie van Financiën moet het een en ander hebben geweten, maar vervolgens hebben verkozen om te doen alsof de neus bloedde. Dat kan verschillende redenen hebben. Wellicht vond de verantwoordelijke functionaris het een lastige kwestie en had hij geen zin het zelf op te lossen. Na een aantal jaren komt toch vanzelf overplaatsing naar een volgende afdeling en dus laat hij het aan z'n opvolger. Ook zou een onderzoek direct het faillissement van Yamaichi tot gevolg kunnen hebben gehad. De buitenwereld zou dan kunnen gaan denken dat het ministerie dat faillissement heeft veroorzaakt. Een andere mogelijkheid is dat ze hebben gehoopt dat het probleem vanzelf zou verdwijnen als de aandelenkoersen maar weer eenmaal zouden gaan stijgen en er niet langer de noodzaak was de aandelen te verbergen.” Wegens deze weinig vleiende opmerkingen richting autoriteiten verkiest deze spreker de anonimiteit.

Een andere analist constateert desgevraagd dat we helaas wel nooit zullen weten wat er werkelijk is gebeurd: “Yamaichi is niet failliet verklaard maar zet zelf de activiteiten stil. De afwikkeling gaat dus niet via de rechter maar zal verder binnen het ministerie plaats hebben. Het is de vraag of de werkelijkheid ooit naar buiten komt.”

Basishouding van de Japanse overheid ten opzichte van de financiële wereld is niet wantrouwen maar vertrouwen, zo is de afgelopen jaren bij verschillende schandalen door commentatoren geconstateerd. En als er toch iets misgaat zijn de straffen licht: een boete van krap 8.000 gulden en geen celstraf. Analist Akio Mikuni gaat deze week in, wederom, het weekblad Toyo Keizai, uitgebreid in op de achtergrond van de vertrouwensrelatie tussen financiële industrie en autoriteiten. De kern van zijn analyse is dat risico is “genationaliseerd” in een in wezen gereguleerde economie. Bedrijven in de financiële sector kunnen alleen opereren met een vergunning van het ministerie. Dit wil niet zeggen dat ze vervolgens vrij zijn naar eigen goeddunken te handelen, maar dat de betrokkenheid van de overheid reikt tot “het opnemen en neerleggen van de eetstokjes”, aldus Mikuni.

Een van de beroemdste verhalen over deze nauwe band, te lezen in een boek over de geschiedenis van effectenhuis Nomura, gaat over de “nauwelijks waar te nemen hoofdknik” waarmee een topambtenaar van Financiën in oktober 1987 de markt zou hebben gered. Met zijn hoofdknik gaf hij afgevaardigden van de vier grote Japanse effectenhuizen, waaronder Yamaichi, tijdens een lunch opdracht op grote schaal aandelen te kopen. De kooporders maakten een einde aan de val van aandelenprijzen die op Zwarte Maandag in New York was begonnen.

In ruil voor deze volgzaamheid was het voortbestaan van de grote bedrijven gegarandeerd. Het ministerie duldde geen faillissementen en de lasten voor het redden van zwakke broeders werden over de gehele sector verdeeld. Dit systeem was volgens Mikuni jarenlang vol te houden wegens de voortdurend hoge economische groei, die bedrijven de kans bood weer uit het slop komen.

Hier komt het probleem van de huidige tijd boven tafel: de hoge economische groei is, met het spatten van de luchtbel rond 1990, als sneeuw voor de zon verdwenen. Om de economie weer nieuw leven in te blazen is deregulering nodig, zo luidt ook de officiële analyse van het Economisch Planbureau van de Japanse regering. Om deze boodschap aan het grote publiek duidelijk te maken publiceerde dit bureau twee jaar terug twee toekomstscenario's: lage groei zonder deregulering, en een hogere groei mèt.

Deregulering heeft alleen inhoud als de overheid ophoudt garant te staan voor het voortbestaan van bedrijven. Het kernbegrip dat dan ook steeds opduikt in discussies over de 'Big Bang' die op stapel staat in de financiële sector is: individuele verantwoordelijkheid. Bedrijven moeten zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun activiteiten. Ze moeten zelf de markt overtuigen van hun soliditeit. Yamaichi, de Hokkaido Takushoku Bank en enkele kleinere financiële instellingen zijn de eerste slachtoffers die de markt heeft geëist.

Zoals bleek uit de tranen waarmee Yamaichi-president Nozawa het einde van het bedrijf aankondigde en smeekte om hulp opdat het personeel “niet in de goot eindigt”, is het wennen aan dit nieuwe concept. Collectieve verantwoordelijkheid heeft dan ook een lange geschiedenis in Japan. De oude shoguns, die tot in de vorige eeuw regeerden, hadden al een zeer simpel en doeltreffend middel om zich te verzekeren van belastinginkomsten: stel een groep van vijf tot twaalf huishoudens collectief verantwoordelijk voor de afdracht van elk individueel huishouden. Ook nu nog is het zo in Japan dat voor elke individuele transactie een derde persoon zich garant moet stellen. Met de recente faillissementen laat het ministerie van Financiën langzaam maar zeker de teugels vieren en geeft bedrijven hun eigen verantwoordelijkheid. Om de schok voor de bevolking niet al te groot te maken volgt na elk faillissement echter wel direct de mededeling dat de overheid alle tegoeden garandeert.

    • Hans van der Lugt