Langstlevende na overlijden ten onrechte bevoorrecht

In het binnenkort in te voeren erfrecht krijgt de langstlevende echtgenoot alles, tenzij daarvan wordt afgeweken bij testament. J. de Boer vraagt zich af waarom. De bepaling dat de langstlevende recht heeft op huis en inboedel en wat hij of zij verder nodig heeft, zou genoeg moeten zijn.

Ons huidig Burgerlijk Wetboek is niet erg royaal tegenover de echtgenoot van een overledene. Deze krijgt slechts een kindsdeel, en dat kan te weinig zijn om behoorlijk van te leven en om het genot van huis en inboedel te behouden. Weliswaar geeft de praktijk weinig moeilijkheden te zien - vaak is er een testament en kennelijk blijft het gedrag van de kinderen binnen de perken - maar begrijpelijkerwijs wordt in het nieuw voorgestelde erfrecht geprobeerd de positie van de langstlevende echtgenoot te verbeteren.

Al geruime tijd geleden is men op de gedachte gekomen dat het redelijk en praktisch zou zijn om zonder meer de langstlevende de beschikking te geven over de gehele nalatenschap. Deze gedachte ontstond in een tijd dat het aantal echtscheidingen en tweede huwelijken laag was en de gehuwde vrouw slechts bij hoge uitzondering betaald werk verrichtte. Vervolgens is ruim 15 jaar gestreden over de vraag hoe dat resultaat - dat de langstlevende van rechtswege alles krijgt - in het vat moest worden gegoten. Twee opvattingen stonden tegenover elkaar: die van het ministerie van Justitie - met als belangrijkste ambtenaar mr.drs. B.C. de Die - en die van het notariaat, vertegenwoordigd door de hoogleraar notarieel recht prof.mr. M.J.A. van Mourik. De Die was voorstander van een vruchtgebruik, Van Mourik wilde dat de langstlevende volledig rechthebbende zou worden (dus eigenaar van de staande klok), met een niet-opeisbare schuld aan de kinderen. Deze discussie was zo technisch-juridisch dat zij maar weinig mensen kon bekoren en zeker niet de leden van de Tweede Kamer. Na de pensionering van De Die won Van Mourik het pleit.

Grote vreugde in notariële kring. Uiteraard was ook de Tweede Kamer tevreden dat de specialisten er eindelijk uit waren. Voortvarend werd gewerkt aan de afhandeling van het nieuwe erfrecht.

Wat men evenwel vergat was dat, nu de overeenstemming over de eventuele constructie zoveel jaren heeft gekost, de vraag moet worden beantwoord of het uitgangspunt - de langstlevende alles - nog wel bij de tijd is. Men hoeft niet te beschikken over diep sociologisch inzicht om te weten dat grote maatschappelijke veranderingen aan de gang zijn. Zo is het aantal echtscheidingen drastisch gestegen, wat tot gevolg heeft dat een veel groter aantal huwelijken een tweede huwelijk is. Verder is onder meer de deelname aan het arbeidsproces van gehuwde vrouwen veel groter, hetgeen heeft geleid tot een zekere eigen vermogensvorming, inclusief ouderdomsvoorziening. Nieuwe wetgeving gaat er ook vanuit dat gehuwden hun verdiencapaciteit op peil houden.

Buiten notariële kringen wordt het axioma dat de langstlevende zonder meer alles moet krijgen - dus ongeacht of deze dat nodig heeft - ter discussie gesteld. In een opstel van prof.mr. S.N. van Opstall in Rechtsgeleerd Magazijn Themis, wordt het volgende voorbeeld gegeven. Een man met een groot vermogen en een zeer goede baan met een voortreffelijke pensioenvoorziening, verliest op middelbare leeftijd zijn vrouw door de dood. Deze laatste had een vermogen van middelmatige omvang en kinderen uit een vorig huwelijk die in zorgelijke financiële omstandigheden verkeerden, en aan wie haar laatste echtgenoot het land had. Waarom moet hij in de gelegenheid gesteld worden zijn stiefkinderen in de kou te laten staan? 'Dan had zij maar een testament moeten maken', zullen sommigen zeggen. Waarom? Omdat de notarissen een regeling in de wet hebben weten door te drukken die dat noodzakelijk maakte?

In het Nederlands Juristenblad heb ik al eens geschreven dat de wetgever voor de situatie na overlijden - anders dan voor die na scheiding - mag voorzien in een 'hangmat' in plaats van een 'vangnet', maar dat ten aanzien van de hoedanigheid van die hangmat wel zekere proportionaliteitseisen behoren te gelden.

De Tweede Kamer lijkt echter doof. Het heeft er de schijn van dat de parlementariërs volledig murw gemaakt zijn in de 15-jarige strijd over de constructie. In het Eindverslag wordt zelfs niet het oordeel van de minister van Justitie gevraagd over de dissidente geluiden. Dat is ongehoord in de geschiedenis van het nieuw Burgerlijk Wetboek.

De Tweede Kamer heeft kennelijk ervoor gekozen uitsluitend te luisteren naar het notariaat (inclusief notariële hoogleraren). De principiële vraag - hoever moet de wettelijke verzorging van de langstlevende strekken - behoort echter door de volksvertegenwoordiging zelf te worden beantwoord en is daar ook heel geschikt voor.

Het gaat hier om een zaak die de gehele bevolking raakt. Bovendien is er enige reden om aan de maatschappijkennis van het notariaat te twijfelen. Jarenlang hebben notarissen gehuwde vrouwen opgezadeld met een zogenaamde 'koude uitsluiting' in huwelijkse voorwaarden. Toen daartegen teveel verzet rees, ging het notariaat op grote schaal over op verrekeningsbedingen, waarbij bespaarde inkomsten periodiek moesten worden gedeeld. Men voegde evenwel een geniepige vervaltermijn van drie jaar toe, die in de praktijk hetzelfde resultaat gaf als een koude uitsluiting.

Onlangs oordeelde de Hoge Raad dat een beroep op een dergelijke vervaltermijn in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het zal je als beroepsgroep maar gezegd worden.

De positie van de langstlevende echtgenoot wordt in het voorgestelde nieuwe erfrecht geregeld in twee afdelingen. Volgens afdeling 1 krijgt de langstlevende alles ter beschikking, maar daarvan kan worden afgeweken bij testament. Afdeling 2 daarentegen verzekert het voortgezet genot van huis en inboedel en geeft de langstlevende een recht op het vruchtgebruik van andere goederen (inclusief geld) voor zover daaraan in verband met de verzorging behoefte is. Deze tweede afdeling is van dwingend recht, zodat afwijking naar beneden bij testament is uitgesloten.

Ik meen dat met deze tweede afdeling kan worden volstaan en dat afdeling 1 dus moet worden geschrapt. Het dwingendrechtelijke genot van huis, inboedel en wat verder nodig is voor de verzorging, is voldoende als wettelijke regeling voor niet-testamentair geregelde gevallen.

Wil de erflater een royalere verzorging, dan kan dat bij testament. Om de langstlevende zonder meer, dus ongeacht werkelijke behoefte en zonder dat er een testament ligt, alles toe te schuiven, is disproportioneel. Anders gezegd: het middel is te zwaar voor het doel dat men wil dienen.

    • J. de Boer