Krenenergie; Nucleaire scenario's

Kernenergie was al schoon en wordt steeds veiliger. Moeten er toch maar nieuwe reactoren komen?

DE NACHTMERRIES van ministers van Milieu zijn voorbij. Het koolzuurgas dat we met zijn allen de lucht in blazen kan drastisch omlaag. CO2 is geen probleem meer. Niks broeikaseffect, zeespiegelverhoging en overstromingen van delta's en eilandstaten, terwijl het radarwerk van de industrie gewoon kan doordraaien. Als de wereld maar veel meer kernenergie gebruikt en veel minder olie, kolen en gas - totdat we een 'duurzame' energievoorziening hebben bereikt.

Was het maar waar. Konden we maar, met net zoveel overtuiging als in de jaren vijftig, ons heil zoeken in veilige, milieuvriendelijke en relatief goedkope kernenergie. Op 3 juli 1957 schreef minister Jelle Zijlstra (Economische Zaken) aan de Tweede Kamer: “Het lijdt geen twijfel dat kernenergie op den duur een aanzienlijk groter deel van de behoefte aan energie zal dekken.” Hij verdedigde een plan om tegen 1975 “reeds de helft van de gehele elektriciteitsproductie” te verzorgen met kerncentrales en daarna zou het nog meer kunnen worden.

Zijlstra stelde veel vertrouwen in de nucleaire technologie en de wetenschap, hoewel zich in 1952 (Canada) en in 1955 (Verenigde Staten) al vrij ernstige storingen in kerncentrales hadden voorgedaan waarvan de oorzaak toen nog niet duidelijk was. Een reeks storingen en ongevallen volgde, met als ernstigste de kernsmelting in Harrisburg (VS) in 1979 en de kernbrand in Tsjernobyl (1986). Vooral dat laatste ongeval, veroorzaakt door een reeks menselijke fouten bij een experiment, bracht veel regeringen tot grote voorzichtigheid bij plannen voor uitbreiding van het kernenergiepotentieel. Toch is het aantal ernstige ongevallen en dodelijke slachtoffers bij de winning en het gebruik van kolen en olie per hoeveelheid geproduceerde elektriciteit vele malen hoger dan zich in 45 jaar gebruik van kerncentrales in de wereld heeft voorgedaan.

Het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) van de VN en het Nuclear Energy Agency (NEA) van de OESO (de industrielanden) blijven hun best doen om het vreedzaam gebruik van kernenergie te propageren en de veiligheid te verhogen door tal van studies, projecten en de uitwisseling van kennis. En ze boeken succes. Nieuwe reactoren met 'inherent veilige' voorzieningen zijn ontwikkeld in de Verenigde Staten. Ze maken voor hun koeling en het modereren van het splijtingsproces gebruik van 'natuurlijke' technieken als de zwaartekracht en convectie, waarbij veel minder leidingen, pompen en elektromotoren nodig zijn. Als bijvoorbeeld een reactorvat te heet wordt, is de koeling veel sneller geregeld omdat daarboven een groot waterbassin is geplaatst dat direct leegloopt en de reactor een koud bad geeft.

De mogelijkheid van technische storingen en incidenten door menselijke fouten wordt daardoor sterk verminderd. Japan stelt over enkele maanden zo'n 'inherent veilige' reactor in bedrijf en China heeft er een in aanbouw. Nederland heeft met de onderzoeksreactor Dodewaard belangrijk aan deze vernieuwing bijgedragen, door proefnemingen voor het ontwerp van een vereenvoudigd type kokend-waterreactor bij General Electric in de VS. Een proefmodel, speciaal voor de Europese markt aangepast, wordt momenteel in Zwitserland getest.

Ook op het terrein van de berging van radioactief afval, het tweede probleem van kernenergie, worden driftig studies en proefnemingen gedaan om overheden minder huiverig te maken voor uitbreiding. Hier lijkt sprake te zijn van een discussie tussen doven. De nuclaire industrie, IAEA en NEA zijn er vast van overtuigd dat de oplossing voor het grijpen ligt in het inkapselen van het afval in glas en zware containers en berging in cavernes in de diepe ondergrond (zoutholtes en granietlagen). Maar milieu-organisaties zijn fel tegen. Ze bepleiten een stop op kernenergie en berging van het overblijvende afval bovengronds.

Hoog-radioactief afval kan honderden jaren actief blijven en over de stabiliteit van de ondergrond in zo'n lange periode kan niemand volledige zekerheid verschaffen. De Nederlandse regering neemt het standpunt in dat ondergrondse 'eindberging' alleen mag worden toegestaan in speciale mijnen met een mogelijkheid om het afval er na jaren weer uit te halen. Zo wordt onherstelbare schade voorkomen. Aanleg van zo'n mijn alleen voor het afval van Nederlandse kerncentrales zou onbetaalbaar zijn.

Daarom wordt er gestudeerd op een Europese oplossing. Kleine landen als Nederland, België en Zwitserland zouden hun afval tegen betaling kunnen opbergen in Duitsland of Frankrijk, maar daarvoor zal nog heel wat politieke Seelenmassage nodig zijn.

Voorstanders van kernenergie gooien nu steeds meer het argument van de CO2-reductie in de strijd. Momenteel wordt gemiddeld in de wereld 30 procent van de primaire energieconsumptie omgezet in elektriciteit, de verbruikssoort die verreweg het snelst groeit.

De prijs per kilowattuur van kernenergie is ongeveer net zo hoog als bij gebruik van conventionele kolenstook, maar de emissie van kooldioxide is te vergelijken met die van windenergie. De hele keten - van delving van uranium tot de productie van componenten voor reactoren, de bouw van centrales tot en met berging van het afval - levert volgens het IAEA 10 tot 50 gram CO2 per opgewekte kilowattuur elektriciteit op. Bij gebruik van fossiele brandstoffen loopt de emissie uiteen van 450 tot 1.200 gram per kilowattuur.

Uitbreiding van het kernenergievermogen zou dus, als op de technologie van veiliger reactoren en veilige afvalberging mag worden vertrouwd, een zinvolle no regret-maatregel zijn om het broeikaseffect tegen te gaan. Zeker als in aanmerking wordt genomen dat India het gebruik van kolen voor stroomopwekking de komende twintig jaar wil verdrievoudigen en China een verdubbeling in petto heeft. De kosten voor het vermijden van meer CO2-emissies zijn bij kernenergie verwaarloosbaar laag, vergeleken met duurzame energievormen zoals water- en windkracht, het verstoken of vergassen van biomassa en zonne-energie.

De 443 kernreactoren in de wereld zorgen nu jaarlijks voor het vermijden van 2,3 miljard ton CO2, als hun totale vermogen wordt vergeleken met aardgas, olie en kolen als brandstof. In het rapport van de Intergouvernementele Commissie voor Klimaatverandering (IPCC) van 1996 is met de hulp van het IAEA en NEA een scenario opgenomen waarin de politieke belemmeringen zijn weggelaten en kernenergie louter op haar economische voordelen concurreert. Dan zijn de CO2-nachtmerries voorbij, groeit het vermogen van de huidige 17 procent van de stroomproductie in de wereld tot 46 procent in het jaar 2100 en verdrievoudigt de hoeveelheid vermeden kooldioxide.

Dat lijkt op een luchtkasteel-scenario, want het impliceert de bouw van nieuwe snelle-kweekreactoren tegen het jaar 2020 om bij de huidige bewezen uraniumreserves aan voldoende brandstof te komen. Kweekreactoren, die als alles goed gaat uit dezelfde hoeveelheid uranium veel meer energie halen dan gewone reactoren en bovendien plutonium produceren, werken nu alleen nog in Japan en Rusland. Kalkar (Duitsland) is nooit in bedrijf genomen en doet nu dienst als pretpark en Super Phénix in Frankrijk is gedegradeerd tot onderzoeksreactor.

Maar wat niet is kan komen, zegt het IAEA, en andere nucleaire technieken zoals reactoren die thorium als brandstof gebruiken en kernfusie “kunnen worden ontwikkeld en op commerciële basis worden toegepast”.

    • Theo Westerwoudt